ECLI:NL:CRVB:2010:BL1636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- A.B.J. van der Ham
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Vernietiging verlaging bijstand wegens onvoldoende feitelijke grondslag voor arbeidsgeschiktheid echtgenote
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam verlaagde de bijstand met 100% omdat de echtgenote zou hebben nagelaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden, gebaseerd op een vermeend aanbod bij Roteb.
De Raad oordeelt dat er onvoldoende feitelijke grondslag is voor het standpunt dat de echtgenote een concreet aanbod heeft ontvangen. Er is geen bewijs dat haar een arbeidsovereenkomst is voorgelegd of dat de functie en werktijden concreet zijn omschreven. Hierdoor is niet voldaan aan de verplichting tot het aanvaarden van arbeid.
De rechtbank had dit niet onderkend en verklaarde het beroep ongegrond. De Raad vernietigt daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, en draagt het College op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
Voorts overweegt de Raad dat de gedraging van de echtgenote mogelijk kwalificeert als het belemmeren van arbeidsinschakeling, wat een verlaging van 20% van de bijstand kan rechtvaardigen. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit tot verlaging van de bijstand met 100% wegens het niet aanvaarden van arbeid door de echtgenote wordt vernietigd en het College wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen.