ECLI:NL:CRVB:2010:BL1748
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na medische ingreep
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht. Na een gynaecologische ingreep op 18 maart 2002 stelde een verzekeringsarts vast dat zij vier tot zes weken niet belastbaar zou zijn, waarna zij weer geschikt was voor het merendeel van haar functies. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde daarom de uitkering per 30 april 2002.
Appellante voerde aan dat zij na die datum nog steeds voor ten minste 45% arbeidsongeschikt was, met verwijzing naar knie- en buikklachten en een littekenbreuk. De rechtbank en de Raad oordeelden echter dat de medische informatie geen aanwijzingen gaf voor meer beperkingen en dat de onduidelijkheid over de datum van geschiktheid voor arbeid was opgelost.
De Raad verwierp de beroepsgronden van appellante en bevestigde het besluit tot beëindiging van de uitkering. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend. Hiermee kwam een einde aan de procedure, waarbij het oordeel van de Raad van 2 maart 2007 werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 30 april 2002 niet langer ten minste 45% arbeidsongeschikt was en de nabestaandenuitkering terecht is beëindigd.