ECLI:NL:CRVB:2007:BA0269
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid niet gerechtvaardigd
Appellante, geboren in 1950, ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) omdat zij meer dan 45% arbeidsongeschikt werd geacht na het overlijden van haar echtgenoot in 2000. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde deze uitkering in 2002 na een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid. Diverse medische en arbeidsdeskundige rapporten stelden dat appellante in staat was voltijds te werken met beperkingen, en dat er geen sprake was van een verlies aan verdiencapaciteit van ten minste 45%.
Appellante voerde aan dat zij als medische afzakker moest worden beschouwd en dat het onderscheid in de ANW tussen personen geboren voor en na 1 januari 1950 een ongerechtvaardigd onderscheid vormde. De Raad oordeelde dat dit onderscheid niet in strijd was met het EVRM en dat de wetgever binnen zijn beoordelingsruimte was gebleven. Wel stelde de Raad vast dat de Svb ten onrechte geen rekening had gehouden met een medische ingreep die appellante op 24 april 2002 had ondergaan, waardoor zij vier tot zes weken niet belastbaar was.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat de Svb een nieuw besluit op bezwaar moet nemen, rekening houdend met de medische ingreep. Tevens veroordeelde de Raad de Svb in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van de nabestaandenuitkering wordt vernietigd en de Svb moet een nieuw besluit nemen rekening houdend met een medische ingreep.