ECLI:NL:CRVB:2010:BL2141
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij intrekking bijstandsuitkering
Appellant ontving vanaf 18 mei 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 6 oktober 2006 heeft het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloten de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 18 mei 2005 in te trekken. Dit besluit werd op 14 december 2006 in bezwaar ongegrond verklaard door het College. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit in haar uitspraak van 8 april 2008.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure stelde de Centrale Raad van Beroep ambtshalve de vraag of appellant wel voldoende procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Volgens vaste jurisprudentie is procesbelang alleen aanwezig indien het nastreven van het gewenste resultaat ook daadwerkelijk kan worden bereikt en van feitelijke betekenis is voor de indiener.
Uit het dossier bleek dat appellant gedurende de periode in geschil recht had op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Het UWV en het College hadden onderling verrekening toegepast, waarbij het UWV de kosten van bijstand aan appellant over de betwiste periode had vergoed aan het College. Het College had bevestigd dat het geen terugvordering van bijstandskosten van appellant zou doen. Hierdoor kon appellant met het hoger beroep geen voor hem betekenisvol resultaat meer bereiken.
De Raad concludeerde dat appellant geen rechtens relevant belang had bij het hoger beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Tevens werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.