ECLI:NL:CRVB:2010:BL2141

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2854 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij intrekking bijstandsuitkering

Appellant ontving vanaf 18 mei 2005 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Op 6 oktober 2006 heeft het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam besloten de bijstand met terugwerkende kracht vanaf 18 mei 2005 in te trekken. Dit besluit werd op 14 december 2006 in bezwaar ongegrond verklaard door het College. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit in haar uitspraak van 8 april 2008.

Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure stelde de Centrale Raad van Beroep ambtshalve de vraag of appellant wel voldoende procesbelang had bij een inhoudelijke beoordeling van het geschil. Volgens vaste jurisprudentie is procesbelang alleen aanwezig indien het nastreven van het gewenste resultaat ook daadwerkelijk kan worden bereikt en van feitelijke betekenis is voor de indiener.

Uit het dossier bleek dat appellant gedurende de periode in geschil recht had op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet (WW). Het UWV en het College hadden onderling verrekening toegepast, waarbij het UWV de kosten van bijstand aan appellant over de betwiste periode had vergoed aan het College. Het College had bevestigd dat het geen terugvordering van bijstandskosten van appellant zou doen. Hierdoor kon appellant met het hoger beroep geen voor hem betekenisvol resultaat meer bereiken.

De Raad concludeerde dat appellant geen rechtens relevant belang had bij het hoger beroep en verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang. Tevens werd geen veroordeling in proceskosten opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

08/2854 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 april 2008, 07/443 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 26 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Stap, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 november 2009. Appellant, daartoe ambtshalve opgeroepen, is verschenen, bijgestaan door mr. Stap en E.M. Loukili als tolk. Het College, daartoe ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving bijstand vanaf 18 mei 2005 naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 6 oktober 2006 heeft het College appellant meegedeeld dat hij met ingang van 18 mei 2005 geen recht meer heeft op bijstand (lees: dat de bijstand met ingang van 18 mei 2005 is ingetrokken). Bij besluit van 14 december 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2006 ongegrond verklaard.
1.2. Met ingang van 26 oktober 2006 is aan appellant weer bijstand verleend.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 december 2006 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij vastgesteld dat de door haar te beoordelen periode zich uitstrekte van 18 mei 2005 tot en met de datum van het intrekkingsbesluit van 6 oktober 2006.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad ziet zich, ambtshalve, gesteld voor de vraag of appellant voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van de aangevallen uitspraak. Uit vaste jurisprudentie van de Raad, bijvoorbeeld de uitspraken van 31 augustus 2006, LJN AY8271 en 9 juni 2009, LJN BJ0878, vloeit voort dat eerst sprake is van (voldoende) processueel belang indien het resultaat, dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.
4.2. Gebleken is inmiddels dat appellant ten tijde in geding recht had op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet. Tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en het College heeft voorts verrekening plaatsgevonden, waarbij het UWV de door het College gemaakte kosten van bijstand voor appellant over de in geding zijnde periode heeft vergoed. Het College heeft op grond hiervan besloten, zoals ter zitting uitdrukkelijk is bevestigd, niet meer over te gaan tot terugvordering van de kosten van bijstand van appellant. Bij die stand van zaken kan appellant met het onderhavige beroep geen resultaat bereiken dat feitelijk voor hem van betekenis is. Nu ook overigens niet van een rechtens relevant belang is gebleken dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en J.F. Bandringa en O.L.H.W.I. Korte als leden, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2010.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) C. de Blaeij.
mm