ECLI:NL:CRVB:2010:BL2153
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar wegens termijnoverschrijding bij terugvordering WWB
Appellant en zijn partner ontvingen bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) als gehuwden. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand met ingang van 1 augustus 2005 in en vorderde de kosten van bijstand terug over de periode 1 augustus 2005 tot en met 31 januari 2006.
Appellant maakte op 13 december 2007 bezwaar tegen de terugvordering, stellende dat het besluit van 6 september 2006 pas toen werd ontvangen omdat zijn partner het eerder had onderschept. Het College verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaarperiode. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep oordeelt de Raad dat het besluit op juiste wijze aan appellant is bekendgemaakt door toezending aan het gezamenlijke adres. De termijnoverschrijding is niet verschoonbaar, mede omdat appellant en zijn partner een gezamenlijke huishouding voerden en het risico van niet-tijdige kennisgeving door de partner voor rekening van appellant komt.
De Raad bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten aan appellant opgelegd.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.