ECLI:NL:CRVB:2010:BL2816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- J. Brand
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn WAO-uitkering met ingang van 7 juni 2005 in te trekken. Na een bezwaarprocedure handhaafde het UWV dit besluit bij besluit van 6 september 2007. Appellant stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. De rechtbank oordeelde dat het UWV bevoegd was het verzoek om herziening af te wijzen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.
De arbeidsongeschiktheid van appellant per 23 februari 2007 bleek voort te komen uit een andere oorzaak dan waarvoor de uitkering was toegekend, waardoor de verkorte wachttijd van vier weken niet van toepassing was. In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere standpunten, maar de Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond dat de beroepsgronden afdoende waren gemotiveerd en niet slaagden.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 5 februari 2010.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd.