ECLI:NL:CRVB:2010:BL4013
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Vernietiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken gezamenlijke huishouding
Appellante ontving bijstand van het College van burgemeester en wethouders van Zoetermeer. Naar aanleiding van anonieme tips startte het College een onderzoek naar het vermeende voeren van een gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot, wat de rechtmatigheid van de bijstand beïnvloedt. Het College trok de bijstand in en vorderde bedragen terug over de periode van november 2004 tot februari 2007, inclusief een tegemoetkoming op grond van de Wet kinderopvang.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante deels gegrond en vernietigde het besluit over de periode tot 1 oktober 2005. Het College nam een nader besluit waarbij de terugvordering werd beperkt tot de periode na 1 oktober 2005. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad stelt vast dat hij niet bevoegd is over de Wet kinderopvang te oordelen omdat deze niet in de Beroepswet is opgenomen. Voor het overige oordeelt de Raad dat onvoldoende bewijs is geleverd dat appellante en haar ex-echtgenoot hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, een vereiste voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding volgens de WWB. De onderzoeksbevindingen, waaronder verklaringen van buurtbewoners en gegevens van een telecomprovider, zijn onvoldoende concreet.
Daarom vernietigt de Raad de besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode van 1 oktober 2005 tot 1 maart 2007 en herroept het besluit van 10 mei 2007 voor dat tijdvak. Tevens veroordeelt de Raad het College in de proceskosten van appellante en bepaalt dat het betaalde griffierecht wordt vergoed.
Uitkomst: De besluiten tot intrekking en terugvordering van bijstand over de periode 1 oktober 2005 tot 1 maart 2007 worden vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.