ECLI:NL:CRVB:2010:BL4193

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1357 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na medische herbeoordeling

Appellante, die sinds 2001 een WAO-uitkering ontving wegens arbeidsongeschiktheid na een verkeersongeval, verhuisde eind 2004 naar Duitsland. Naar aanleiding van een herbeoordeling door de Deutsche Rentenversicherung Rheinland en het UWV werd haar uitkering in december 2006 ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, maar het bezwaar werd in april 2007 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd overwogen dat de rechtbank haar oordeel uitgebreid en gemotiveerd had gegeven, zowel over de medische situatie als de geschiktheid van de aan appellante voorgehouden functies.

De Raad zag geen aanleiding om te twijfelen aan de medische grondslag van het besluit, mede omdat de onderzoeken door een neuroloog-psychiater en een bezwaarverzekeringsarts geen afwijkingen vaststelden, afgezien van door appellante gemelde drukpijn. Het voorgestelde nader onderzoek betrof een arbeidsexploratie, waaraan volgens vaste jurisprudentie beperkte betekenis toekomt. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het UWV tot intrekking van de WAO-uitkering.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd.

Uitspraak

08/1357 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2008, 07/1229 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.P. Sijbrandij, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 januari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Sijbrandij voornoemd. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft op 21 december 1999 haar werkzaamheden als thuishulpmedewerker gestaakt in verband met klachten aan nek en armen na een verkeersongeval. Aan haar is met ingang van 1 januari 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Deze uitkering is na een eerstejaarsherbeoordeling gecontinueerd.
1.2. Appellante is eind 2004 naar Duitsland verhuisd. Ten behoeve van een herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid is rapport uitgebracht door de Deutsche Rentenversicherung Rheinland. Appellante is aldaar onderzocht door de neuroloog-psychiater N. Sablotni. Nadat vervolgens rapport was uitgebracht door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige, heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante bij besluit van 6 december 2006 ingetrokken onder overweging dat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was. Dit besluit is na bezwaar van appellante bij het bestreden besluit van 13 april 2007 gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne.
3.2. Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep naar voren is gebracht overweegt de Raad in de eerste plaats geen aanknopingspunten te zien voor de veronderstelling van de gemachtigde van appellante dat de rechtbank bij haar beoordeling geen acht heeft geslagen op de in 17 december 2007 aan haar toegezonden nadere gronden. De rechtbank heeft haar oordeel zowel ten aanzien van de medische kant van de zaak als ter zake van de geschiktheid van de aan appellante voorgehouden functies uitgebreid gemotiveerd.
De Raad merkt hierbij op dat de rechter volgens vaste jurisprudentie niet zonder meer op elke aangevoerde grond behoeft in te gaan.
3.3. De Raad vermag voorts niet in te zien dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke medische grondslag is gebaseerd, zoals appellantes gemachtigde heeft gesteld. Appellante is onderzocht door de neuroloog-psychiater Sablotni en door de bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick. Beiden konden bij hun onderzoek, behoudens aangifte door appellante van (druk)pijn, geen afwijkingen vaststellen. Weliswaar heeft de arts Sablotni nader onderzoek voorgesteld, doch dit betrof een arbeidsexploratie-onderzoek, aan welk onderzoek volgens vaste jurisprudentie bij een beoordeling als de onderhavige slechts beperkte betekenis toekomt. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van
20 maart 2007 (LJN BA1202).
3.4. De Raad overweegt ten slotte dat ook in hoger beroep door of namens appellante geen medische gegevens zijn overgelegd die twijfel doen rijzen aan de juistheid van de beoordeling door het Uwv.
3.5. Het onder 3.1 tot en met 3.4 overwogene brengt de Raad tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en H.J. Simon en H.J. de Mooij als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) W. Altenaar.
RB