ECLI:NL:CRVB:2010:BL4196
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.P.J. Goorden
- A.A.H. Schifferstein
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld op grond van artikel 29b Ziektewet bij loonkostensubsidie
Appellante verzocht het UWV om toekenning van ziekengeld voor een werknemer die sinds 1 januari 2007 bij haar in dienst zou zijn getreden in het kader van begeleid werken met loonkostensubsidie. Het UWV weigerde dit op grond van artikel 29b Ziektewet, omdat geen sprake was van een nieuwe werkgever en de groep werknemers met loonkostensubsidie expliciet is uitgesloten van de no-riskpolis.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellante geen recht had op ziekengeld omdat geen nieuwe dienstbetrekking was aangegaan en appellante pas na de uitvaldatum werkgever in de zin van de WSW was geworden. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel.
De Raad stelde vast dat geen daadwerkelijke beëindiging en nieuwe aanvang van de arbeidsovereenkomst had plaatsgevonden, noch wezenlijke veranderingen in de werkzaamheden. De stelling van appellante dat de werksituatie wezenlijk was gewijzigd werd niet onderbouwd. Daarom kon noch op grond van het eerste lid noch het derde lid van artikel 29b Ziektewet aanspraak op ziekengeld worden gemaakt.
De Raad concludeerde dat het UWV terecht het verzoek had afgewezen en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er waren geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 17 februari 2010.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering tot toekenning van ziekengeld wordt bevestigd.