ECLI:NL:CRVB:2010:BL4235

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-751 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging ziekengeld na beoordeling psychische belastbaarheid administratief werk

Appellante, die als administratief medewerkster werkte, meldde zich ziek op 16 juni 2006. Het UWV beëindigde haar ziekengeld per 18 december 2006, omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor haar werk. Appellante maakte bezwaar en ging in beroep tegen dit besluit.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, waarbij zij zwaar woog op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts die het werk en de psychische belastbaarheid van appellante beoordeelde. Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij uit correspondentie mocht afleiden dat zij nog arbeidsongeschikt was, maar de Raad oordeelde dat dit berustte op een administratieve fout en geen rechtvaardigde verwachting schept.

De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en vond dat het rapport voldoende inzicht gaf in de belastende aspecten van het administratieve werk, met name psychisch. De GAF-score van 60-70 uit het behandelingsplan wijst op redelijk functioneren, wat de conclusie ondersteunt dat appellante haar psychische belastbaarheid niet overschrijdt.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft het besluit van het UWV om het ziekengeld te beëindigen ongewijzigd.

Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

08/751 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 19 december 2007, 07/1266 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink van 18 april 2008 is overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante, die laatstelijk voor 22 uur per week werkzaam is geweest als administratief medewerkster, heeft zich op 16 juni 2006 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld.
1.2. Naar aanleiding van de resultaten van het onderzoek door de arts P.H. van der Heijden op het laatste spreekuur van 22 november 2006 heeft het Uwv bij besluit van 13 december 2006 aan appellante meegedeeld dat haar met ingang van 18 december 2006 geen ziekengeld meer werd uitgekeerd, omdat zij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.
1.3. Bij besluit van 26 februari 2007 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 13 december 2006 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij doorslaggevende betekenis toegekend aan de rapportage van 22 februari 2007 van bezwaarverzekeringsarts J.C. Weegink, die het werk van appellante met haar heeft besproken en zijn conclusies heeft gebaseerd op dossierstudie, anamnese en de voorhanden zijnde medische informatie/behandelingsadvies van Bavo-RNO. De rechtbank heeft verder de grief van appellante dat zij uit een brief van het Uwv van 25 januari 2007 mocht afleiden dat zij op en na 18 december 2006 nog arbeidsongeschikt werd geacht, verworpen.
3.1. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen.
3.2. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, overweegt de Raad nog het volgende. Dat aan appellante na 18 december 2006 nog enige betaling van ziekengeld plaatsvond en dat haar bij brief van 25 januari 2007 is meegedeeld dat de uitkering per 10 januari 2007 werd beëindigd vormt geen reden voor een ander oordeel. Een en ander berust kennelijk op een administratieve omissie, terwijl de brief van 25 januari 2007 geen enkele aanwijzing bevat dat het Uwv op zijn eerder ingenomen standpunt was teruggekomen. Appellante heeft hieraan dan ook geen gerechtvaardigde verwachting kunnen ontlenen dat zij ook na 18 december 2006 nog ongeschikt tot werken werd geacht.
3.3. Voormeld rapport van 22 februari 2007 van de bezwaarverzekeringsarts bevat verder naar het oordeel van de Raad zodanige informatie over het administratieve werk van appellante dat voldoende inzicht wordt geboden in de daaraan - met name in psychisch opzicht - verbonden belastende aspecten. De in hoger beroep door appellante overgelegde gegevens kunnen de Raad niet tot een ander oordeel leiden.
3.4. In aanmerking genomen dat blijkens een door appellante in beroep ingebracht behandelingsplan ten aanzien van haar een Gaf-score (Global Assessment of Functioning Scale) is vastgesteld van 60-70 - hetgeen wijst op in het algemeen vrij redelijk functioneren - acht de Raad de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts dat vorenbedoeld werk haar psychisch belastbaarheid niet overschrijdt ook voldoende onderbouwd. De Raad verwijst in dit verband naar de reactie van voornoemde bezwaarverzekeringsarts van 18 april 2008.
3.5. Uit hetgeen is overwogen onder 3.1 tot en met 3.4 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) D.E.P.M. Bary.
TM