ECLI:NL:CRVB:2010:BL4237

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5805 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld na medisch onderzoek en bezwaar

Appellant, werkzaam als uitzendkracht, meldde zich ziek wegens rechterschouder- en lage rugklachten. Het UWV kende hem een Ziektewetuitkering toe, maar besloot na medisch onderzoek door een verzekeringsarts dat appellant vanaf 24 december 2007 geen recht meer had op ziekengeld omdat hij niet langer arbeidsongeschikt was.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard op basis van een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts die het standpunt van de primaire verzekeringsarts onderschreef. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het medisch onderzoek volledig en zorgvuldig was.

In hoger beroep herhaalde appellant zijn klachten en stelde dat zijn werk fysiek belastend was en hij zijn werkzaamheden niet kon verrichten. De Raad overwoog dat appellant geen nieuwe gronden aanvoerde en sloot zich aan bij het oordeel van de rechtbank en de bezwaarverzekeringsarts. Ook een verklaring van de fysiotherapeut bracht geen ander oordeel mee. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld vanaf 24 december 2007.

Uitspraak

08/5805 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 26 augustus 2008, 08/304 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.H.G. in de Braekt, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand te Tilburg, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W. Prins
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die werkzaam was als uitzendkracht bij een kartonfabriek, heeft zich op 23 april 2007 ziek gemeld wegens rechterschouderklachten en lage rugklachten. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Na een onderzoek op 14 december 2007 door de verzekeringsarts L.I. Sie, heeft deze namens het Uwv bij besluit van 18 december 2007 aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 24 december 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld, omdat hij niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid. Bij besluit van 24 januari 2008 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 18 december 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts A. Laros van 24 januari 2008, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat sprake is geweest van een volledig en zorgvuldig medisch onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsarts en dat de uit het onderzoek getrokken conclusies voldoende zijn onderbouwd. Mitsdien heeft het Uwv op goede gronden besloten appellant met ingang van 24 december 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij als gevolg van zijn lichamelijke klachten niet kan tillen en beperkt is in het bukken, waardoor hij niet in staat is zijn maatgevende arbeid uit te voeren. Voorts wordt gesteld dat het Uwv een onjuist beeld had van zijn werk, dat volgens hem fysiek belastend is en dat met zijn klachten niet kan worden uitgevoerd.
4. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt een herhaling van de gronden die hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad verenigt zich met het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad volstaat dan ook met een verwijzing naar de rapportage van bezwaarverzekeringsarts Laros van 24 januari 2008, waarin, onder verwijzing naar de verkregen informatie van de huisarts van appellant, is aangegeven dat er medisch gezien geen aanwijzingen zijn voor ernstige lichamelijke afwijkingen. De bezwaarverzekeringsarts heeft derhalve het standpunt van de primaire verzekeringsarts onderschreven, inhoudende dat er geen beperkingen zijn waardoor appellant niet zou kunnen hervatten in zijn werk. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts contact gehad met de werkgever van appellant, waaruit blijkt dat het werk fysiek gezien niet zwaar is. Gelet op de gedingstukken en op hetgeen door appellant in hoger beroep is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding om aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts te twijfelen. In de door appellant in hoger beroep overgelegde verklaring van zijn fysiotherapeut, waaruit blijkt dat hij vanaf april 2008 onder behandeling is, ziet de Raad evenmin aanleiding om tot een andersluidend oordeel te komen. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 24 december 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
4.2. Uit hetgeen hiervoor onder 4.1 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) D.E.P.M. Bary.
TM