ECLI:NL:CRVB:2010:BL4281
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar geen WAO-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de medische beperkingen van appellante en dat de belastbaarheid binnen de geschikte functies niet werd overschreden.
In hoger beroep betwist appellante dit oordeel en voert zij aan dat de geduide functies niet geschikt zijn vanwege overschrijding van de belastbaarheid en dat een functionele medische lijst (FML) een verstopte beperking bevat, met name bij het onderdeel klimmen. De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat deze grieven grotendeels een herhaling zijn van eerdere bezwaren en dat de rechtbank deze gemotiveerd heeft afgewezen.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV in voldoende mate rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante en dat er geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid binnen de geschikte functies. De klacht over het onderdeel klimmen faalt eveneens omdat dit binnen geen van de functies tot problemen leidt.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J. Brand en griffier M.A. van Amerongen op 17 februari 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WAO-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.