ECLI:NL:CRVB:2010:BL4281

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2127 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen het besluit van het UWV om haar geen WAO-uitkering toe te kennen omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het UWV voldoende rekening had gehouden met de medische beperkingen van appellante en dat de belastbaarheid binnen de geschikte functies niet werd overschreden.

In hoger beroep betwist appellante dit oordeel en voert zij aan dat de geduide functies niet geschikt zijn vanwege overschrijding van de belastbaarheid en dat een functionele medische lijst (FML) een verstopte beperking bevat, met name bij het onderdeel klimmen. De Centrale Raad van Beroep stelt vast dat deze grieven grotendeels een herhaling zijn van eerdere bezwaren en dat de rechtbank deze gemotiveerd heeft afgewezen.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het UWV in voldoende mate rekening heeft gehouden met de beperkingen van appellante en dat er geen sprake is van overschrijding van de belastbaarheid binnen de geschikte functies. De klacht over het onderdeel klimmen faalt eveneens omdat dit binnen geen van de functies tot problemen leidt.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter J. Brand en griffier M.A. van Amerongen op 17 februari 2010.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om appellante een WAO-uitkering toe te kennen wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

09/2127 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2009, 08/1546 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A. Staal, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellante is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. B.R.H. Barendregt.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 14 maart 2008 heeft het Uwv, beslissend op bezwaar, gehandhaafd zijn besluit appellante vanaf 22 februari 2007 geen WAO-uitkering te verstrekken omdat appellante per die datum minder dan 15% arbeidsongeschikt was.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellante tegen het besluit van 14 maart 2008 ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe, kort samengevat, overwogen dat uit de verzekeringsgeneeskundige rapportages van 9 oktober 2007 en 19 februari 2008 valt af te leiden dat het Uwv in voldoende mate rekening heeft gehouden met de medische beperkingen van appellante. Appellante heeft hier geen nadere informatie tegenover gesteld die aanleiding geeft tot een ander oordeel.
De rechtbank is voorts tot het oordeel gekomen dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag liggende functies de mogelijkheden van appellante niet overschrijdt. Daartoe verwijst de rechtbank naar het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 11 maart 2008.
3. Appellante heeft in hoger beroep het oordeel van de rechtbank dat het Uwv bij de schatting van de mate van haar arbeidsongeschiktheid is uitgegaan van de juiste medische beperkingen bestreden. Voorts blijft appellante zich op het standpunt stellen dat de geduide functies voor haar niet geschikt zijn gezien de afzonderlijke overschrijdingen en de totale belasting. Ten slotte voert appellante aan dat de FML een verstopte beperking bevat. Op punt 4.21 is een normaalwaarde gegeven met een beperkende toelichting: klimmen = normaal, met daarbij als opmerking: kan niet naar beneden kijken of ze de voet goed neerzet.
4.1. Deze gronden vormen grotendeels een herhaling van hetgeen appellante in eerste aanleg heeft aangevoerd. Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank deze gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom ze niet slagen. De Raad stelt zich achter de overwegingen van de rechtbank.
4.2. Ook naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv in voldoende mate rekening gehouden met de beperkingen van appellante en is er binnen de afzonderlijke voor appellante geschikt geachte functies op geen van de punten sprake van overschrijding van de belastbaarheid van appellante. Zoals de Raad reeds eerder heeft overwogen onder meer in zijn uitspraak van 10 april 2009, LJN BI1145, kan in zo’n geval van een overschrijding van de totaalbelasting van appellante binnen de geduide functies geen sprake zijn.
Met betrekking tot de in hoger beroep opgeworpen grief over het punt 4.21 (klimmen) stelt de Raad vast dat deze grief niet kan slagen, reeds omdat in geen van de geduide functies zulks tot problemen leidt.
4.3. Het hoger beroep van appellante treft mitsdien geen doel. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
4.4. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.
(get.). J. Brand.
(get.) M.A. van Amerongen.
EK