ECLI:NL:CRVB:2010:BL5307

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1954 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 4:2 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging buiten behandeling laten aanvraag bijstand wegens niet tijdig overleggen gegevens

Appellante diende op 12 januari 2007 een aanvraag om bijstand in bij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Het College verzocht haar om ontbrekende stukken, waaronder bankafschriften, uiterlijk 1 februari 2007 aan te leveren. Toen appellante niet binnen deze termijn de gevraagde gegevens aanleverde, liet het College de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat door het College werd afgewezen, waarna zij beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij niet tijdig kon voldoen aan de informatieverplichting en dat de Dienst Werk en Inkomen haar onjuist had behandeld.

De Raad oordeelde dat appellante voldoende tijd had gekregen om de gegevens te overleggen en dat niet was gebleken dat zij niet over de gevraagde gegevens beschikte of deze niet redelijkerwijs kon verkrijgen. Haar beperkte beheersing van de Nederlandse taal deed hieraan niet af. Ook was er geen bewijs dat het College onzorgvuldig had gehandeld. Gegevens die na het primaire besluit werden overgelegd, konden niet in aanmerking worden genomen. De Raad bevestigde daarom het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: De aanvraag om bijstand is terecht buiten behandeling gelaten wegens het niet tijdig overleggen van de gevraagde gegevens.

Uitspraak

08/1954 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 11 maart 2008, 07/2111 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 23 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.J. Stronks, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 12 januari 2010, waar partijen, zoals tevoren bericht, niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante heeft op 12 januari 2007 een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand ingediend. Bij brief van 18 januari 2007 heeft het College appellante gevraagd om uiterlijk op 1 februari 2007 ontbrekende stukken in te leveren. Bij besluit van 2 februari 2007 heeft het College de aanvraag met toepassing van artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gelaten, op de grond dat appellante niet binnen de in de brief van 18 januari 2007 genoemde termijn de voor de behandeling van de aanvraag ontbrekende gegevens heeft overgelegd.
1.2. Bij besluit van 12 april 2007 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 2 februari 2007 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 april 2007 ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bepaalt, voor zover van belang, dat het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling gaat het bij een onvolledige of ongenoegzame aanvraag onder meer om het onvoldoende verstrekken van gegevens of bescheiden om een goede beoordeling van de aanvraag mogelijk te maken. Daarbij gaat het, gelet op artikel 4:2, tweede lid, van de Awb, om gegevens die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover de aanvrager redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.
4.2. Bij brief van 18 januari 2007 heeft het College appellante verzocht om gegevens waaronder bankafschriften van de op naam van appellante staande rekening van de afgelopen drie maanden. Evenals het College is de Raad van oordeel dat het daarbij ging om gegevens die van belang waren voor een goede beoordeling van de aanvraag.
4.3. De Raad stelt evenals de rechtbank vast dat appellante de gevraagde gegevens niet binnen de, bij brief van 18 januari 2007, vergunde hersteltermijn van twee weken heeft overgelegd. Naar het oordeel van de Raad is appellante, die niet heeft verzocht om verlenging van de haar gegeven termijn, voldoende tijd gegeven om de benodigde gegevens over te leggen. Niet is gebleken dat appellante niet over de gevraagde gegevens beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, dan wel deze anderszins niet tijdig kon overleggen. Haar gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal kan, wat daarvan ook zij, aan vorenstaand oordeel niet afdoen.
4.4. De Raad ziet in de stukken geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van appellante dat de Dienst Werk en Inkomen zich niet heeft gehouden aan gemaakte afspraken en appellante voor haar aanvraag van het kastje naar de muur heeft gestuurd. De Raad ziet dan ook geen reden om af te wijken van de vaste rechtspraak dat de aard en inhoud van een primair besluit tot het buiten behandeling laten van een aanvraag om bijstand meebrengt dat in beginsel geen betekenis toekomt aan gegevens of bescheiden die na het primaire besluit alsnog zijn verstrekt. Het College heeft derhalve terecht geen rekening gehouden met de in de bezwaarprocedure, op 6 februari 2007, overgelegde gegevens.
4.5. Gelet op hetgeen hiervoor onder 4.2 tot en met 4.4 is overwogen deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat het College op grond van artikel 4:5, eerste lid, van de Awb bevoegd was de aanvraag voor bijstand van 12 januari 2007 buiten behandeling te laten. In hetgeen appellante heeft aangevoerd ziet de Raad geen aanleiding om te oordelen dat het College niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot buiten behandeling stellen van de aanvraag gebruik heeft kunnen maken.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2010.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) J.M. Tason Avila.
mm