ECLI:NL:CRVB:2010:BL5342

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4199 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking van WAO-uitkering en beoordeling van arbeidsongeschiktheid

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad, waarin de intrekking van haar WAO-uitkering werd bevestigd. Appellante ontving een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) heeft deze uitkering per 23 november 2008 ingetrokken, wat door appellante werd bestreden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het Uwv een zorgvuldig onderzoek had uitgevoerd en dat de conclusies overtuigend waren onderbouwd.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij meer beperkingen had, zowel fysiek als psychisch, en dat de functies die haar waren toegewezen te zwaar voor haar waren. Ter ondersteuning van haar standpunt overhandigde zij medische rapporten van haar behandelend artsen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat de argumenten van appellante in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten boden ten opzichte van de eerdere procedure. De Raad bevestigde dat het medische onderzoek zorgvuldig was en dat de uitkomst niet onjuist was. De Raad concludeerde dat de geduide functies, die als eenvoudig werden gekarakteriseerd, niet te zwaar waren voor appellante.

De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en oordeelde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd openbaar gedaan op 23 februari 2010.

Uitspraak

09/4199 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 8 juli 2009, 09/404 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D.H. Sloof, advocaat te Almere, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2009. Appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. Sloof. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. A.J.G. Lindeman. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde appellante in de gelegenheid te stellen nadere informatie te laten overleggen en het Uwv te laten reageren.
Het Uwv heeft op 27 november 2009 een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts ingezonden.
Appellante heeft op 8 januari 2010 een brief van psycholoog M. van Buuren van 7 januari 2010 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 januari 2010. Appellante is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Sloof. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. Lindeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontving een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 23 september 2008 heeft het Uwv deze uitkering per 23 november 2008 ingetrokken.
1.2. Bij besluit op bezwaar van 12 februari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit besluit gehandhaafd.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is geweest van een voldoende diepgaand en zorgvuldig onderzoek. De getrokken conclusies zijn op overtuigende wijze onderbouwd. De informatie van de behandelend psycholoog-psychotherapeut is meegewogen en met de rug- en schouderklachten is rekening gehouden. Door appellante zijn geen nadere (medische) gegevens ingebracht die een ander licht werpen op haar belastbaarheid op de datum in geding, zoals die is weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Mede gelet op de in de arbeidskundige rapporten van 26 juni 2008 en 12 februari 2009 gegeven motivering is de rechtbank van oordeel dat appellante in staat moet worden geacht de geduide functies te verrichten.
3. In hoger beroep heeft appellante hiertegen aangevoerd dat zij meer beperkingen heeft, zowel op fysiek als op psychisch gebied. Zij lijdt aan PTSS en is onder behandeling van een specialist en een fysiotherapeut. De functies zijn te zwaar voor haar. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft zij een brief van de orthopedisch chirurg M.L.M. Falke van 6 augustus 2009 en een brief van psycholoog Van Buuren overgelegd.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Evenals de rechtbank acht de Raad het medische onderzoek zorgvuldig en de uitkomst niet onjuist. De brief van Falke ziet niet op de datum in geding en in de FML zijn beperkingen voor de schouder aangenomen. De brief van Van Buuren leidt evenmin tot een andere conclusie. Appellante is in september 2009 (opnieuw) naar Van Buuren verwezen, zijnde bijna een jaar na de datum in geding. Uit de brief van Van Buuren blijkt niet dat op de datum in geding meer beperkingen op psychisch gebied bestaan dan waarvan het Uwv is uitgegaan. De Raad merkt daarbij op dat in de rubrieken 1 en 2 van de FML een vijftiental beperkingen zijn opgenomen.
4.3. De stelling dat appellante de geduide functies niet kan vervullen slaagt evenmin. De geduide functies zijn eenvoudige productiefuncties, die noch psychisch noch fysiek zwaar zijn. Avond- of nachtdiensten komen in deze functies niet voor.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2010.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) T.J. van der Torn.
EF