ECLI:NL:CRVB:2010:BL5740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- M.C.M. van Laar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering met arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35 procent
Appellant, die sinds november 1999 wegens longklachten arbeidsongeschikt is, kreeg in 2000 een WAO-uitkering toegekend met een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Na herbeoordeling in 2006 werd deze uitkering in 2007 verlaagd naar 15 tot 25%, maar op bezwaar werd dit besluit herzien en de oorspronkelijke mate van 25 tot 35% gehandhaafd.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen ernstiger waren, onderbouwd met een brief van een longarts. De Raad oordeelde echter dat deze medische informatie geen nieuwe of eerder onbekende gegevens bevatte en dat de beperkingen reeds voldoende waren verwerkt in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML).
De arbeidsdeskundige rapportages toonden aan dat appellant geschikt is voor bepaalde functies zonder de belastbaarheid te overschrijden. De Raad vond de motivatie hiervoor voldoende en concludeerde dat de uitkering terecht ongewijzigd werd voortgezet.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd en het hoger beroep van appellant werd verworpen. Er waren geen gronden voor toepassing van bestuursrechtelijke sancties zoals artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De WAO-uitkering van appellant blijft ongewijzigd met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.