ECLI:NL:CRVB:2010:BL6083
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks knieproblemen appellant
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn knieproblemen bij de herziening van zijn WAO-uitkering. De rechtbank had echter in haar uitspraak uitgebreid stilgestaan bij de beperkingen van appellant, waaronder knielen en hurken, en de geschiktheid van functies die aan de schatting ten grondslag lagen.
De Raad concludeerde dat er geen medisch objectiveerbare grond was voor het standpunt van appellant dat hij niets met zijn knie kon, mede gelet op de informatie van de behandelende sector. Appellant bracht geen nieuwe gronden in hoger beroep die niet eerder waren behandeld.
Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het besluit van het UWV om de WAO-uitkering per 20 december 2007 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.