ECLI:NL:CRVB:2010:BL6083

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2566 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging herziening WAO-uitkering ondanks knieproblemen appellant

Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met zijn knieproblemen bij de herziening van zijn WAO-uitkering. De rechtbank had echter in haar uitspraak uitgebreid stilgestaan bij de beperkingen van appellant, waaronder knielen en hurken, en de geschiktheid van functies die aan de schatting ten grondslag lagen.

De Raad concludeerde dat er geen medisch objectiveerbare grond was voor het standpunt van appellant dat hij niets met zijn knie kon, mede gelet op de informatie van de behandelende sector. Appellant bracht geen nieuwe gronden in hoger beroep die niet eerder waren behandeld.

Daarom bevestigde de Centrale Raad van Beroep het besluit van het UWV om de WAO-uitkering per 20 december 2007 te herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering wordt bevestigd met een arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.

Uitspraak

09/2566 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 30 maart 2009, 08/687 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 19 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D. van der Wal, advocaat te Buitenpost, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 januari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Wal. Het Uwv was vertegenwoordigd door T.R. Vallinga.
II. OVERWEGINGEN
1. De rechtbank heeft op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven overwegingen het beroep van appellant gericht tegen het besluit van 6 maart 2008 - waarbij het Uwv, beslissend op bezwaar, de WAO-uitkering van appellant per
20 december 2007 heeft herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55% - ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft zich in zijn hoger beroepschrift op het standpunt gesteld dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak niet op voldoende wijze is ingegaan op de door hem bij zijn brief van 18 februari 2009 ingediende nadere gronden.
3.1. De Raad volgt appellant niet in dit standpunt.
3.2. In zijn brief van 18 februari 2009 heeft appellant gereageerd op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 6 november 2008 en de bezwaararbeidsdeskundige van 10 november 2008. Appellant heeft zich in zijn brief - kort samengevat - wederom op het standpunt gesteld dat op onvoldoende wijze rekening is gehouden met de knieproblemen die hij heeft.
3.3. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank in overweging 3.2 ingegaan op de voor appellant vastgestelde beperkingen op het gebied van knielen en hurken.
3.4. In de aangevallen uitspraak is de rechtbank in overweging 3.3 ingegaan op de geschiktheid voor appellant van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies. De rechtbank heeft in haar overwegingen betrokken de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts, de informatie verkregen uit de behandelende sector en de opvatting van appellant.
3.5. Dat de rechtbank tot een ander oordeel is gekomen dan appellant gelet op zijn brief van 18 februari 2009 juist acht, doet er niet aan af dat de rechtbank de beroepsgronden van appellant als neergelegd in zijn brief van 18 februari 2009 heeft besproken.
3.6. Voor het door appellant ter zitting van de Raad ingenomen standpunt dat hij, kort samengevat, niets met zijn knie kan, is - gelet op de informatie afkomstig vanuit de appellant behandelende sector - geen medisch objectiveerbare grond aanwezig.
3.7. Appellant heeft in hoger beroep overigens geen gronden ingediend die niet reeds in beroep naar voren zijn gebracht. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank en het op basis van deze overwegingen door de rechtbank gegeven oordeel omtrent deze gronden.
3.8. Het hoger beroep treft mitsdien geen doel.
De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
3.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen grond.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2010.
(get.) J. Brand.
(get.) M.A. van Amerongen.
JL