ECLI:NL:CRVB:2010:BL6321
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding niet bewezen
Appellante ontving een AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde, dat later werd aangepast naar de gehuwdennorm op basis van de veronderstelling dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met haar ex-partner. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen na een onderzoek, waarbij werd aangenomen dat appellante en haar ex-partner hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning.
De Raad oordeelt dat het bewijs onvoldoende is om te concluderen dat sprake was van een gezamenlijke huishouding gedurende de gehele periode. De verklaringen van appellante en haar ex-partner, getuigenverklaringen en het waterverbruik boden geen overtuigende aanwijzingen voor gezamenlijk hoofdverblijf, behalve mogelijk vanaf april 2006.
Daarom vernietigt de Raad het besluit van de Svb en beveelt een nieuw besluit op bezwaar, waarbij de Svb nader onderzoek moet doen naar het hoofdverblijf vanaf juli 2003. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot herziening van het AOW-pensioen wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.