ECLI:NL:CRVB:2010:BL6325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- N.M. van Waterschoot
- Rechtspraak.nl
Vernietiging herzieningsbesluit AOW-pensioen wegens onvoldoende bewijs gezamenlijke huishouding
Appellant ontving een AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde, dat in 1999 werd aangepast naar de gehuwdennorm omdat de Sociale verzekeringsbank (Svb) aannam dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn ex-partner. Na een onderzoek naar de feitelijke leefsituatie, waarbij onder meer waarnemingen, getuigenverklaringen en waterverbruik werden betrokken, stelde de Svb in 2007 het pensioen weer bij naar de gehuwdennorm vanaf oktober 2000.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond, maar de Centrale Raad van Beroep vernietigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de Svb onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat appellant en zijn ex-partner gedurende de relevante periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, wat noodzakelijk is voor het aannemen van een gezamenlijke huishouding.
Hoewel er contact en overnachtingen waren, ontbrak het bewijs van een feitelijke samenwoning. Getuigenverklaringen en gegevens over waterverbruik boden onvoldoende concrete aanwijzingen. De Raad acht aannemelijk dat vanaf april 2006 wel sprake was van gezamenlijk hoofdverblijf, maar voor de periode daarvoor is het bewijs ontoereikend.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en beveelt de Svb aan een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens veroordeelt de Raad de Svb in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het besluit van de Sociale verzekeringsbank tot herziening van het AOW-pensioen wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.