ECLI:NL:CRVB:2010:BL6327
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en verzekeringsgrondslag bij WAO-uitkering
Appellant, geboren in 1957 en voormalig sjouwer, heeft sinds 1985 een arbeidsongeschiktheidsuitkering wegens een blessure aan het linkerbeen. Diverse medische onderzoeken en herbeoordelingen bevestigden een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%. Psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen zijn door het UWV als niet verzekerd aangemerkt, wat door de Raad is bevestigd.
Appellant voerde aan dat het UWV ten onrechte niet voldeed aan artikel 37 van Pro de WAO en dat de fysieke beperkingen op het MN 214-formulier niet juist werden overgenomen, met name ten aanzien van het tillen. De Raad oordeelde dat het UWV niet gebonden is aan het MN 214-formulier en dat de afwijkingen voldoende zijn gemotiveerd. Ook het opleidingsniveau en de passendheid van geselecteerde functies werden door de Raad als juist beoordeeld.
Partijen bereikten overeenstemming over een vergoeding van € 500 voor immateriële schade door overschrijding van de redelijke termijn. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de WAO-uitkering op 15 tot 25% en wijst het beroep van appellant af.