ECLI:NL:CRVB:2010:BL6393

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2385 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit UWV en toekenning hogere WAO-uitkering met rente en proceskosten

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Amsterdam die het bezwaar tegen een UWV-besluit inzake een WAO-uitkering ongegrond verklaarde. Het UWV had een uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, terwijl appellant een hogere mate van arbeidsongeschiktheid betwistte.

Tijdens de procedure heeft het UWV erkend dat het besluit op bezwaar niet op goede gronden was genomen en dat appellant recht heeft op een uitkering gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV handhaafde het eerdere standpunt niet, waardoor de Raad het eerdere besluit vernietigde en het beroep alsnog gegrond verklaarde.

De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van wettelijke rente over de na te betalen uitkering en tot vergoeding van proceskosten in zowel de eerste als de hogere beroepsfase. Tevens werd het griffierecht aan appellant vergoed. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 10 februari 2010.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit op bezwaar wordt gegrond verklaard, het besluit wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

08/2385 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], Duitsland (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 maart 2008, 07/97 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 februari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.M. Pommé, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op 27 januari 2010 heeft onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door H.A.T. Laaracker.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 10 maart 2006 heeft het Uwv aan appellant per 5 oktober 2004 - in aansluiting op het einde van de wachttijd - een uitkering toegekend op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) die is berekend naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het bezwaar van appellant hiertegen is bij besluit van 4 december 2006 ongegrond verklaard. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen dit besluit op bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij brief van 25 januari 2010 heeft het Uwv meegedeeld dat het besluit op bezwaar niet op goede gronden is genomen en dat appellant per 5 oktober 2004 in aanmerking komt voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
3. Hierop is bij brief van 26 januari 2010 namens appellant meegedeeld dat het hoger beroep niet wordt ingetrokken. Verzocht is om het Uwv te veroordelen tot betaling van wettelijke rente en proceskosten.
4. Het Uwv heeft het in het besluit op bezwaar neergelegde standpunt niet gehandhaafd. Daarom vernietigt de Raad de aangevallen uitspraak, wordt het beroep tegen het besluit op bezwaar alsnog gegrond verklaard en wordt dat besluit vernietigd. Door het Uwv is ter zitting van de Raad erkend dat appellant aanspraak heeft op de wettelijke rente. Derhalve dient het Uwv te worden veroordeeld tot vergoeding van de schade, bestaande uit de wettelijke rente over de na te betalen uitkering, voor de berekening waarvan de Raad verwijst naar zijn uitspraak van 1 november 1995, LJN ZB1495.
5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 41,50 voor in beroep gemaakte reiskosten en op € 483,- voor in hoger beroep verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit op bezwaar van 4 december 2006 gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat het Uwv een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt het Uwv tot betaling van wettelijke rente als hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 41,50 in beroep, te voldoen aan appellant, en tot een bedrag van € 483,- in hoger beroep, te voldoen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 145,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L. de Vries en H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van W. Altenaar als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2010.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) W. Altenaar.
IJ