Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-530 WWB-VV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:84 AwbArt. 8:72 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij hoger beroep afwijzing bijstandsaanvraag

Verzoeker heeft een bijstandsaanvraag ingediend die door het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam is afgewezen wegens het niet nakomen van medewerkingsverplichtingen. Het bezwaar tegen deze afwijzing werd ongegrond verklaard door het College, en de rechtbank verklaarde het beroep tegen deze beslissing eveneens ongegrond.

Verzoeker stelde vervolgens een verzoek om voorlopige voorziening in, met het verzoek om schorsing van de uitspraak, toekenning van een voorschot en een veroordeling in proceskosten. Verzoeker stelde dat hij wel medewerking had verleend en dat zijn recht op bijstand vastgesteld kon worden, mede gezien zijn schuldenlast en de dreigende woningontruiming.

De Raad stemde in met een versnelde behandeling van het hoger beroep onder de voorwaarde dat het verzoek om voorlopige voorziening zou worden ingetrokken. Verzoekers gemachtigde trok het verzoek echter niet in. De voorzieningenrechter oordeelde dat het spoedeisend belang onvoldoende was om niet te wachten op de uitspraak van de Raad na de zitting op 23 maart 2010.

Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen zonder zitting. Er werd geen aanleiding gezien voor proceskosten of griffierecht.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens het ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

10/530 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[verzoeker] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 8 december 2009, 09/3717 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker,
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 8 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Verzoeker heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
1.1. Bij besluit van 6 april 2009 heeft het College de door verzoeker op 18 maart 2009 ingediende aanvraag om bijstand in de kosten van levensonderhoud afgewezen.
1.2. Bij besluit van 9 juli 2009 heeft het College het bezwaar van verzoeker tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Hieraan heeft het College ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat verzoeker - kort samengevat - de op hem rustende medewerkingsverplichting niet is nagekomen.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 9 juli 2009 ongegrond verklaard.
3. Verzoeker heeft bij het op 25 januari 2010 ingediende verzoek om een voorlopige voorziening verzocht om schorsing van de aangevallen uitspraak, het toekennen van een voorschot ter hoogte van een bijstandsuitkering en een veroordeling van het College in de proceskosten. Verzoeker bestrijdt dat hij onvoldoende medewerking heeft verleend aan het op zijn woonadres gebrachte huisbezoek en is van mening dat zijn recht op bijstand wel kan worden vastgesteld. Gelet op een ontstane schuldenlast ten gevolge van het ontbreken van enig inkomen en de per 1 februari 2010 aangezegde woningontruiming acht verzoeker het noodzakelijk dat de voorzieningenrechter op korte termijn uitsluitsel geeft over zijn recht op bijstand.
4. In overleg met de gemachtigde van verzoeker is vervolgens afgesproken dat het tegen de aangevallen uitspraak ingestelde hoger beroep met toepassing van artikel 8:52 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) versneld zal worden behandeld, in welk geval de gemachtigde van verzoeker het verzoek om een voorlopige voorziening zou intrekken. Vervolgens is die zaak geagendeerd op de zitting van de Raad op 23 maart 2010. Op de herhaalde verzoeken vanwege de Raad om de intrekking van de voorlopige voorziening schriftelijk te bevestigen, heeft de gemachtigde van verzoeker uiteindelijk bij brief van 2 maart 2010 zonder nadere motivering laten weten dat het verzoek om een voorlopige voorziening niet wordt ingetrokken.
5. Naar aanleiding van het thans voorliggende verzoek om een voorlopige voorziening, overweegt de voorzieningenrechter van de Raad als volgt.
5.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro Awb en artikel 21 van Pro de Beroepswet (Bw) kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Bw hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5.2. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door verzoeker is aangevoerd geen zodanig spoedeisend belang dat de uitspraak naar aanleiding van het onderzoek ter zitting van de Raad op 23 maart 2010 niet kan worden afgewacht. Hierbij wijst de voorzieningenrechter er nog op dat indien het besluit van 9 juli 2009 in hoger beroep geen stand houdt, artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb de Raad de mogelijkheid biedt om het College een termijn te stellen voor het nemen van een nieuw besluit of het verrichten van een andere handeling alsmede zo nodig een voorlopige voorziening te treffen.
5.3. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om een voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb, uitspraak kan doen zonder zitting.
5. Voor bepalingen omtrent proceskosten en griffierecht is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid vanR.B.E van Nimwegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2010.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) R.B.E. van Nimwegen.
IJ