ECLI:NL:CRVB:2010:BL7247

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1821 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34, vijfde lid, WAO
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging ingangsdatum herziening WAO-uitkering ondanks beroep op gelijkheidsbeginsel

Appellant, voormalig houtbewerker, ontving sinds 1983 een WAO-uitkering wegens rugklachten. Na herbeoordelingen in 2006 en 2008 werd de uitkering aangepast, waarbij de ingangsdatum van de laatste herziening werd vastgesteld op 22 februari 2007. Appellant maakte bezwaar tegen deze ingangsdatum en stelde dat de toegenomen beperkingen al eerder bestonden en dat het gelijkheidsbeginsel werd geschonden doordat anderen eerder werden herbeoordeeld.

De Raad verwees naar eerdere uitspraken waarin ruime beleidsvrijheid aan de wetgever wordt toegekend bij sociale zekerheidsmaatregelen en oordeelde dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Tevens concludeerde de Raad dat appellant geen medische stukken had overgelegd die een eerdere toename van beperkingen ondersteunen en dat er geen tekortkoming door het UWV is vastgesteld.

De rechtbank had eerder het bezwaar en beroep van appellant ongegrond verklaard, waarbij zij het standpunt van het UWV en de gekozen ingangsdatum onderschreef. De Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er worden geen proceskosten aan partijen opgelegd.

Uitkomst: De ingangsdatum van de herziening van de WAO-uitkering per 22 februari 2007 wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt afgewezen.

Uitspraak

09/1821 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 24 februari 2009 , 08/1033 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft B.M. van Kerkvoorden, werkzaam bij ARAG rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010. Appellant en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, geboren [in] 1957, voorheen werkzaam als houtbewerker, is op 21 september 1982 uitgevallen in verband met rugklachten. Met ingang van 19 september 1983 is hem door het Uwv een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de herbeoordeling op grond van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat per 1 oktober 2004 geldt, heeft medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden, waarna de WAO- uitkering van appellant per 17 maart 2006 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het daartegen gemaakte bezwaar is door het Uwv ongegrond verklaard. Het door appellant tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank Zutphen bij uitspraak van 17 november 2006, 06/1442 ongegrond verklaard.
1.2. In verband met het alsnog herbeoordelen van personen behorend tot de leeftijdscategorie 45 tot 50 jaar aan de hand van de criteria van het Schattingsbesluit zoals dat gold vóór 1 oktober 2004, heeft ten aanzien van appellant wederom medisch en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. De verzekeringsarts D.E. Smit heeft vastgesteld, dat naast de reeds bekende rugklachten sprake is van (toegenomen) nekklachten, progressieve hoofdpijnklachten en diabetes. De eerder naar aanleiding van de beoordeling in 2006 opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst heeft hij op een aantal punten aangescherpt. Hoewel de exacte datum van de toename van de klachten van appellant moeilijk is te bepalen, heeft de verzekeringsarts Smit voornoemd – nu de huisarts van appellant, blijkens informatie van diens kant, voor het eerst naar aanleiding van een spreekuur in november 2007 van de toegenomen nekklachten melding maakte –, aangenomen dat de toename van de klachten van appellant reeds bestond op 22 februari 2007. De arbeidskundige van het Uwv heeft vervolgens geconstateerd, dat er onvoldoende voor appellant geschikt te achten functies te duiden zijn. Bij besluit van 9 januari 2008 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant per 22 februari 2007 vastgesteld op 80 tot 100%.
1.3. Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen laatstgenoemd besluit. Daarbij richt zijn bezwaar zich niet tegen de verhoging van de uitkering, maar tegen de ingangsdatum ervan. Aan de verhoging van de uitkering dient zijn inziens een ruimere terugwerkende kracht – kennelijk: tot 17 maart 2006 – te worden gegeven. Appellant beroept zich daartoe op het gelijkheidsbeginsel, zoals opgenomen in verschillende internationale verdragen. Daarbij heeft hij met name het oog op de ongelijkheid die zijns inziens is ontstaan doordat een aantal personen behorend tot de leeftijdsgroep 45 tot 50 jaar reeds beoordeeld is aan de hand van het Schattingsbesluit zoals dat na 1 oktober 2004 geldt, waarbij de intrekking of herziening van hun uitkering is geëffectueerd voor 22 februari 2007, terwijl ten aanzien van een aantal anderen uit dezelfde leeftijdsgroep nog geen herbeoordeling heeft plaatsgevonden of de intrekking c.q. herziening naar aanleiding van de herbeoordeling effect heeft gekregen op of na 22 februari 2007. Tevens meent hij dat de door de verzekeringsarts geconstateerde toegenomen beperkingen reeds (veel) eerder dan laatstgenoemde datum bestonden.
1.4. De bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick heeft in zijn rapport van 18 april 2008 het primaire medisch oordeel onderschreven. Dit geldt ook voor de door de verzekeringsarts Smit gekozen datum waarop van toegenomen beperkingen kan worden gesproken. Vervolgens heeft het Uwv het bezwaar van appellant bij besluit van 15 mei 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het namens appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep – waarbij de eerder in bezwaar geuite grieven zijn herhaald – ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank met betrekking tot de grief van appellant betreffende de ongelijkheid die in feite is ontstaan tussen verschillende personen behorend tot de leeftijdsgroep 45 tot 50 jaar opgemerkt, dat het evident is dat niet iedereen uit deze groep op of omstreeks hetzelfde moment herbeoordeeld kon worden en dat de deswege ontstane verschillen een gevolg zijn van de, onder meer in artikel 34, vijfde lid, van de WAO, door de wetgever gemaakte keuze om de ingangsdatum van de hier aan de orde zijnde herbeoordelingen te stellen op 22 februari 2007. Ook heeft de rechtbank ingestemd met het standpunt van het Uwv met betrekking tot de datum waarop van toegenomen beperkingen sprake is.
3. In het namens appellant ingestelde hoger beroep zijn globaal gesproken de eerder aangevoerde bezwaren tegen het bestreden besluit herhaald.
4.1. De Raad oordeelt als volgt.
4.2. Met betrekking tot het beroep van appellant op het in verschillende internationale verdragen vastgelegde gelijkheidsbeginsel verwijst de Raad met name naar zijn uitspraken van 5 juni 2001, LJN AB3231 en van 22 april 2009, LJN BH0312 en, voor wat betreft laatstgenoemde uitspraak, met name naar de rechtsoverwegingen 3.4.1. tot en met 3.5.2. en de daarin gememoreerde ruime beleidsvrijheid die de wetgever toekomt ten aanzien van de implementatie van maatregelen op sociaal en economisch terrein. De desbetreffende grond van appellant slaagt derhalve niet.
4.3. Met betrekking tot de stelling van appellant dat de door de verzekeringsarts Smit in begin 2008 geconstateerde beperkingen al (ver) voor 22 februari 2007 waren toegenomen, merkt de Raad op dat appellant in de periode van 17 maart 2006 tot 22 februari 2007 geen aanvraag met betrekking tot toegenomen arbeidsongeschiktheid bij het Uwv heeft ingediend. Bovendien heeft appellant geen medische stukken in het geding gebracht die zijn stelling ondersteunen, terwijl uit de (wel) voorhanden zijnde medische gegevens niet valt af te leiden dat appellant op dit punt door het Uwv tekort is gedaan.
4.4. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2010.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.D.F. de Moor.
JL