ECLI:NL:CRVB:2010:BL7256
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Herziening van WAO-uitkering en de juistheid van het medisch oordeel
In deze zaak gaat het om de herziening van de WAO-uitkering van appellante, die in hoger beroep is gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De Centrale Raad van Beroep heeft op 10 maart 2010 uitspraak gedaan in deze zaak. Appellante was van mening dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) haar beperkingen voor het verrichten van arbeid had onderschat en dat er een urenbeperking in aanmerking had moeten worden genomen. De rechtbank had eerder het beroep van appellante ongegrond verklaard, maar in hoger beroep heeft de Raad de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit opnieuw beoordeeld.
De Raad heeft vastgesteld dat het Uwv bij besluit van 6 december 2007 de uitkering van appellante had herzien van 80-100% naar 35-45% arbeidsongeschiktheid. Appellante had hiertegen bezwaar gemaakt, maar dit was ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij in medisch opzicht niet geschikt is voor de aan haar geduide functies. De Raad heeft de rapportages van de arbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts beoordeeld en geconcludeerd dat de (resterende) functies die aan de schatting ten grondslag liggen, medisch passend zijn voor appellante.
De Raad heeft echter ook vastgesteld dat het Uwv ten onrechte pas in hoger beroep met aanvullende rapportages is gekomen, waardoor niet alle signaleringen voldoende waren toegelicht. De Raad heeft de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Tevens heeft de Raad het Uwv veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante, die in totaal € 966,- bedragen, en het Uwv is verplicht om het betaalde griffierecht van € 146,- aan appellante te vergoeden.