ECLI:NL:CRVB:2010:BL7256

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-717 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening van WAO-uitkering en de juistheid van het medisch oordeel

In deze zaak gaat het om de herziening van de WAO-uitkering van appellante, die in hoger beroep is gegaan tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam. De Centrale Raad van Beroep heeft op 10 maart 2010 uitspraak gedaan in deze zaak. Appellante was van mening dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) haar beperkingen voor het verrichten van arbeid had onderschat en dat er een urenbeperking in aanmerking had moeten worden genomen. De rechtbank had eerder het beroep van appellante ongegrond verklaard, maar in hoger beroep heeft de Raad de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit opnieuw beoordeeld.

De Raad heeft vastgesteld dat het Uwv bij besluit van 6 december 2007 de uitkering van appellante had herzien van 80-100% naar 35-45% arbeidsongeschiktheid. Appellante had hiertegen bezwaar gemaakt, maar dit was ongegrond verklaard. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt herhaald dat zij in medisch opzicht niet geschikt is voor de aan haar geduide functies. De Raad heeft de rapportages van de arbeidsdeskundige en bezwaarverzekeringsarts beoordeeld en geconcludeerd dat de (resterende) functies die aan de schatting ten grondslag liggen, medisch passend zijn voor appellante.

De Raad heeft echter ook vastgesteld dat het Uwv ten onrechte pas in hoger beroep met aanvullende rapportages is gekomen, waardoor niet alle signaleringen voldoende waren toegelicht. De Raad heeft de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten. Tevens heeft de Raad het Uwv veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante, die in totaal € 966,- bedragen, en het Uwv is verplicht om het betaalde griffierecht van € 146,- aan appellante te vergoeden.

Uitspraak

09/717 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 december 2008, 08/1819 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 10 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E.J. Bek, werkzaam bij Juridische Dienstverlening Nederland B.V. , hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
In reactie op een vraagstelling van de Raad heeft het Uwv bij brief van 2 december 2009 een rapportage van een arbeidsdeskundige overgelegd. Voorts heeft het Uwv bij brief van 3 december 2009 een rapportage van een bezwaarverzekeringsarts overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 januari 2010, waar appellante met voorafgaande kennisgeving niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M. Huijzer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een nadere uiteenzetting van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.2. Bij besluit van 6 december 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 6 februari 2008 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%. Appellante heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij besluit van 18 januari 2008 ongegrond is verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft blijkens de overwegingen in de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.
3. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep ingenomen standpunt herhaald dat het Uwv haar beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat en dat een zogenoemde urenbeperking in aanmerking had moeten worden genomen. Voorts heeft appellante zich wederom op het standpunt gesteld dat zij in medisch opzicht niet geschikt is de aan haar geduide functies te vervullen.
4. Het Uwv heeft in het in rubriek ? bedoelde rapport van de arbeidsdeskundige van P.J. Schaap een nadere toelichting gegeven op de door het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) bij een aantal van de geselecteerde functies gegenereerde signalering op het aspect hoofdbewegingen maken. Wegens overschrijding van de belastbaarheid van appellante op dit aspect dient de functie van kassamedewerker, caissière (SBC-code 317030) te vervallen. In de resterende vier functies wordt de belastbaarheid van appellante op eerdervermeld aspect niet overschreden, aldus het arbeidskundige rapport.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad kan hetgeen de rechtbank heeft overwogen over de medische grondslag van het bestreden besluit onderschrijven. Appellante is door de verzekeringsarts onderzocht, die vervolgens naar aanleiding van zijn bevindingen heeft geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellante van de nek, schouders, armen en handen is verminderd. Tevens zijn er beenbeperkingen aangenomen. Van een medische indicatie om een urenbeperking aan te nemen is geen sprake, aldus de verzekeringsarts. De vastgestelde beperkingen zijn neergelegd in de zogenoemde Functionele Mogelijkheden Lijst van
28 oktober 2007. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens dossierstudie verricht, de hoorzitting bijgewoond, en daarop aansluitend een zelfstandig medisch onderzoek verricht. Tevens heeft hij de door appellante ingebrachte informatie van onder meer neuroloog R. Saxena en neurochirurg R.F. van Rolde betrokken bij zijn onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om van het oordeel van de verzekeringsarts af te wijken. Naar zijn oordeel zijn er weliswaar fysieke beperkingen bij appellante, maar daar heeft de verzekeringsarts voldoende rekening mee gehouden. Op het psychische vlak zijn er wel enige spanningsklachten, maar als gevolg daarvan zijn er geen duidelijke beperkingen aan te geven, aldus de bezwaarverzekeringsarts. Het is de Raad niet gebleken dat dit aan het bestreden besluit ten grondslag liggende medisch standpunt onjuist is. Evenmin als in beroep heeft appellante in hoger beroep voldoende objectief medische gegevens ingebracht die alsnog twijfel doen rijzen aan de juistheid van de vastgestelde beperkingen. De Raad kan zich in dit verband verenigen met de inhoud van de in rubriek ? vermelde verzekeringsgeneeskundige rapportage, waarin een reactie wordt gegeven op de door appellante reeds in beroep ingebrachte brieven van anesthesioloog/pijnspecialist A.J.W. Teunissen van 8 september en 7 november 2008.
5.3. Aldus uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellante vastgestelde medische beperkingen is de Raad verder van oordeel dat de (resterende) functies die aan de schatting ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten als voor appellante in medisch opzicht passend dienen te worden aangemerkt. De Raad heeft hierbij in aanmerking genomen dat in de voorhanden zijnde arbeidskundige rapportages een als genoegzaam aan te merken toelichting is gegeven op de door het CBBS gegenereerde signaleringen. De Raad stelt echter vast dat het Uwv ten onrechte eerst in hoger beroep door middel van het overleggen van bovenvermelde arbeidskundige rapportage alle signaleringen van een voldoende toelichting heeft voorzien.
5.4. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit dienen te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 966,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv tot betaling van de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 966,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op10 maart 2010.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) M.D.F. de Moor.
KR