ECLI:NL:CRVB:2010:BL7290
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- R.H.M. Roelofs
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand wegens vermogen uit nalatenschap en boedelscheiding
Appellante ontving sinds maart 2002 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na haar echtscheiding en boedelscheiding werd het vermogen voorlopig vastgesteld. Het Dagelijks Bestuur vorderde in 2005 een bedrag terug wegens middelen uit de boedelscheiding die het vrij te laten vermogen overschreden. Daarnaast werd in 2006 een bedrag teruggevorderd vanwege een erfenis uit de nalatenschap van haar vader.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvorderingen ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante onder meer dat het Dagelijks Bestuur ten onrechte het vrij te laten vermogen tweemaal in aanmerking had genomen en dat het teruggevorderde bedrag onjuist was vastgesteld.
De Raad oordeelde dat het besluit van 7 februari 2005 onherroepelijk is omdat er geen bezwaar tegen was gemaakt. De terugvordering betrof alleen het bedrag uit de boedelscheiding, terwijl andere bedragen als giften werden beschouwd en als inkomsten zijn verwerkt. Het vrij te laten vermogen kan slechts eenmaal worden benut gedurende een doorlopende periode van bijstandsverlening. De aanspraak op de nalatenschap ontstond op 17 maart 2006 en het Dagelijks Bestuur heeft de terugvordering op juiste gronden berekend. Het beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van bijstand wordt bevestigd.