ECLI:NL:CRVB:2010:BL7314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaanden- en halfwezenuitkering wegens niet behoren tot huishouden
Appellante ontving een nabestaanden- en halfwezenuitkering na het overlijden van haar echtgenoot. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) schortte later de uitkeringen op nadat bleek dat haar jongste kind sinds december 2003 niet meer bij haar woonde. Uit schoolverklaringen en adresgegevens bleek dat de kinderen in Marokko wonen bij hun oom, wat betekent dat zij niet tot het huishouden van appellante behoren.
Appellante voerde aan dat er sprake was van een dubbele huishouding en dat zij regelmatig in Marokko verbleef bij haar kinderen. De Raad oordeelde echter dat de kinderen feitelijk verzorgd worden door hun oom en dat appellante geen recht meer had op de uitkeringen vanaf 1 april 2006. De eerdere beslissing tot beëindiging per 1 april 2005 werd herzien.
De Raad vernietigde het eerdere vonnis van de rechtbank Amsterdam, verklaarde het beroep gegrond voor zover gericht tegen het besluit van 29 december 2006 en ongegrond tegen het besluit van 29 december 2009. Tevens werd de Svb veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Appellante verscheen niet bij de zitting, de Svb werd vertegenwoordigd door een gemachtigde.
Uitkomst: De nabestaanden- en halfwezenuitkering zijn terecht beëindigd per 1 april 2006 omdat de kinderen niet tot het huishouden van appellante behoren.