ECLI:NL:CRVB:2010:BL7952
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking van WAO-uitkering en geschiktheid van functies voor appellante
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem, waarin de intrekking van haar WAO-uitkering door het Uwv werd bevestigd. De Centrale Raad van Beroep heeft op 17 maart 2010 uitspraak gedaan. Appellante, vertegenwoordigd door haar gemachtigde mr. J. Heek, heeft in hoger beroep aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar pijnklachten en dat de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid niet juist is. De rechtbank had eerder geoordeeld dat de medische informatie geen aanleiding gaf om te twijfelen aan de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid.
De Raad heeft de argumenten van appellante beoordeeld en geconcludeerd dat er geen nieuwe medische feiten zijn die de eerdere beoordeling van de bezwaarverzekeringsarts in twijfel trekken. De Raad heeft de door appellante ingediende brief van haar reumatoloog, K.J. Korff, van 24 december 2008, niet als voldoende onderbouwing gezien voor haar klachten. De Raad heeft de geschiktheid van de functies die aan de schatting ten grondslag lagen, beoordeeld en deze geschikt geacht voor appellante. De functies van productiemedewerker textiel, machinaal metaalhandelaar en huishoudelijk medewerker gebouwen zijn als passend beoordeeld.
De Centrale Raad van Beroep heeft de aangevallen uitspraak van de rechtbank bevestigd en geen termen aanwezig geacht om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De uitspraak is openbaar gedaan op 17 maart 2010.