Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL7952

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
17 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4420 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens juiste medische belastbaarheid en geschiktheid functies

Appellante ging in hoger beroep tegen de intrekking van haar WAO-uitkering door het Uwv, welke was bevestigd door de rechtbank Arnhem. Zij stelde dat haar pijnklachten en beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat de voorgestelde functies ongeschikt waren vanwege fysieke belasting.

De Raad overwoog dat de medische beoordeling door de bezwaarverzekeringsarts juist was en dat de aanvullende brief van de reumatoloog geen nieuwe feiten bevatte die twijfel opriepen. De reumatoloog gaf aan dat halve dagen werken mogelijk was, maar leverde onvoldoende onderbouwing voor een urenbeperking.

De geschiktheid van de functies productiemedewerker textiel, machinaal metaalhandelaar en huishoudelijk medewerker gebouwen werd door de arbeidsdeskundige en verzekeringsarts als passend beoordeeld. De Raad zag geen reden om andere functies te betrekken.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd. Ook werd appellante niet in de proceskosten van het Uwv veroordeeld.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd wegens juiste medische beoordeling en passende functies.

Uitspraak

09/4420 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 1 juli 2009, 08/4405 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 17 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Heek, werkzaam bij Stichting Schaderegelingskantoor voor Rechtsbijstandverzekering te Zoetermeer, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Appellante is verschenen in tegenwoordigheid van haar gemachtigde, mr. Heek voornoemd. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. J. van den Elsaker.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit op bezwaar van 28 augustus 2008 heeft het Uwv zijn besluit van 29 februari 2008 gehandhaafd. Bij het laatstgenoemde besluit is de WAO-uitkering van appellante ingetrokken met ingang van 30 april 2008.
1.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het besluit van 28 augustus 2008 ingediende beroep ongegrond verklaard. Hierbij heeft zij overwogen dat de aanwezige medische informatie geen aanknopingspunten biedt voor twijfel aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellante en dat ten aanzien van de bij de drie aan de schatting ten grondslag gelegde functies voorkomende signaleringen afdoende is gemotiveerd dat deze functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellante.
2. Appellante heeft in hoger beroep de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden herhaald: zij heeft aangevoerd dat onvoldoende rekening is gehouden met haar pijnklachten, zij heeft last van pijnlijke gewrichten waardoor zij energetisch beperkt is en niet in staat is om hele dagen te werken. Voorts heeft zij gesteld dat de beperkingen ten aanzien van hand- en vingergebruik zijn onderschat. Ter onderbouwing van haar standpunt verwijst zij naar het “specialistenbericht” van haar behandelende reumatoloog K.J. Korff van 24 december 2008, gericht aan haar huisarts. Tenslotte heeft zij aangevoerd dat de voorgehouden functies niet geschikt zijn gelet op de belasting in deze functies ten aanzien van knijp- en grijpkracht en tillen en/of dragen.
3.1. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de aangevoerde gronden geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsarts. De Raad stelt zich volledig achter de overwegingen van de rechtbank terzake en maakt deze tot de zijne. De door appellante in hoger beroep ingediende brief van reumatoloog Korff van 24 december 2008 doet hieraan naar het oordeel van de Raad niet af. Uit deze brief blijkt niet van nieuwe medische feiten die bij de Raad twijfel oproepen ten aanzien van de door de (bezwaar)verzekeringsarts vastgestelde functionele mogelijkheden van appellante zoals die golden op 30 april 2008. Appellante geeft aan dat zij ernstige pijnklachten ervaart waardoor zij niet in staat is om hele dagen te werken. Zij voelt zich hierin gesteund door Korff, voornoemd, nu deze in bovengenoemde brief aangeeft dat er geen bezwaar is tegen halve dagen werken. Los van de vraag of deze opmerking van de reumatoloog moet worden opgevat als een medische urenbeperking geeft de reumatoloog naar het oordeel van de Raad onvoldoende medische onderbouwing voor een dergelijke beperking, nu ernstige afwijkingen door hem niet werden gevonden, zodat de Raad, anders dan appellante, hieraan niet de gevolgtrekking verbindt dat het Uwv ten onrechte geen urenbeperking heeft vastgesteld. De Raad ziet dan ook geen grond voor twijfel aan de juistheid van het door de bezwaarverzekeringsarts R.R. van den Enden ingenomen standpunt, neergelegd in de rapportage van 9 februari 2010, dat er geen medische reden is om het besluit van 28 augustus 2008 te wijzigen.
3.2. Ten aanzien van de geschiktheid van de geselecteerde functies voor appellante overweegt de Raad het volgende. De arbeidsdeskundige heeft aan de schatting ten grondslag gelegd de functies van productiemedewerker textiel (SBC-code 272043), machinaal metaalhandelaar (SBC-code 264121) en huishoudelijk medewerker gebouwen (SBC-code 111334). De Raad acht de motivering van de arbeidsdeskundige in de notities functiebelasting van 25 februari 2008, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, afdoende. De Raad voegt daaraan toe dat de arbeidsdeskundige de functies besproken heeft met de verzekeringsarts, die de functies eveneens passend acht. Voorts wijst de Raad appellante erop dat, nu de aan de schatting ten grondslag liggende functies in medisch opzicht geschikt zijn te achten voor appellante, de Raad geen aanleiding ziet om nader in te gaan op de geschiktheid van de overige geselecteerde functies. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aandacht besteed aan deze functies.
3.3. Gelet op het voorgaande dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 maart 2010.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) T.J. van der Torn.
JL