Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BL8567

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4623 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit weigering vergoeding extra reiskosten begeleiding reguliere vakantie

Appellant, een vervolgde met psychische klachten gerelateerd aan oorlogsomstandigheden, vroeg vergoeding van extra kosten voor begeleiding bij reguliere vakanties per auto in 2008, 2009 en 2010. Verweerster wees dit af omdat appellant niet was aangewezen op speciaal aangepaste vakanties onder medische begeleiding, zoals reizen met 'de Zonnebloem'.

De Raad oordeelde dat er geen adequaat besluit was genomen omdat het beleid van verweerster niet op deze situatie van toepassing is. De medische noodzaak voor begeleiding bij reizen met openbaar vervoer stond vast en appellant stelde onweerlegbaar dat deze noodzaak ook geldt voor langere autovakanties.

De Raad vernietigde het bestreden besluit en verplichtte verweerster een nieuw besluit te nemen waarin appellant in aanmerking wordt gebracht voor vergoeding van de redelijkerwijs gemaakte en te maken extra kosten voor begeleiding bij reguliere autovakanties. Tevens werd verweerster veroordeeld in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerster wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen waarin appellant vergoeding krijgt voor de extra kosten van begeleiding bij reguliere vakanties per auto.

Uitspraak

08/4623 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 11 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 23 juli 2008, kenmerk BZ 47749, JZ/P70/2008, ten aanzien van hem genomen besluit ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wet), verder: bestreden besluit.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend, waarop appellant nog nader heeft gereageerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2009, waar appellant zoals tevoren was gemeld niet is verschenen en verweerster zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad. Nadat het onderzoek is heropend is het geding opnieuw behandeld ter zitting van 28 januari 2010. Appellant is verschenen en verweerster heeft zich wederom laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, voornoemd.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Aan appellant, geboren in 1950, is met ingang van 1 juli 1984 een periodieke uitkering op grond van de Wet toegekend. Hij is gelijkgesteld met een vervolgde op de grond dat zijn psychische klachten in overwegende mate in verband staan met de bij zijn ouders door de vervolging ontstane ziekten of gebreken. Verder zijn aan hem enkele voorzieningen toegekend.
1.2. Bij brief van 11 januari 2008 heeft appellant bij verweerster een aanvraag ingediend voor vergoeding van begeleiding bij reguliere vakantie. Nadat een medisch onderzoek had plaatsgevonden is vastgesteld dat appellant vanwege zijn met de oorlogsomstandig-heden in verband staande angstklachten niet in staat is om alleen met het openbaar vervoer te reizen. Begeleiding bij dit reizen werd medisch noodzakelijk geacht. Omdat echter niet was gebleken dat appellant is aangewezen op een speciale, aangepaste vakantie (onder begeleiding) kon een medische noodzaak, gelet op de beleidscriteria, niet worden gesteld. Om die reden heeft verweerster afwijzend op de aanvraag van appellant beslist bij besluit van 14 april 2008, welk besluit na bezwaar is gehandhaafd bij het bestreden besluit.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
2.1. In het aan het bestreden besluit ten grondslag liggende advies op bezwaar van de geneeskundig adviseur A.M. Ohlenschlager is het ten behoeve van het primaire besluit ingenomen standpunt herhaald dat appellant niet in staat is om alleen met het openbaar vervoer te reizen en dat begeleiding bij dit reizen medisch noodzakelijk is te achten. Over de door appellant naar voren gebrachte ernstige problemen bij het reizen over wat langere afstanden met de auto, waardoor hij al 11 jaar niet op vakantie is geweest, is geen standpunt ingenomen door deze adviseur. Volstaan is met de vaststelling dat appellant niet is aangewezen op speciaal aangepaste vakantie onder (medische) begeleiding. Dit door verweerster overgenomen standpunt is in beroep, ook na de heropening van het onderzoek, herhaald. Ter zitting is namens verweerster als voorbeeld van speciaal aangepaste reizen in de zin van het toegepaste beleid genoemd het reizen met “de Zonnebloem” of een andere reis onder medische begeleiding.
2.2. De Raad is van oordeel dat geen adequaat besluit is genomen op de aanvraag van appellant. Hij heeft verzocht om een vergoeding van de extra kosten voor vakanties in 2008, 2009 en 2010 in verband met meereizen met zijn zoon of dochter per auto, met als bestemming bijvoorbeeld huizen van familieleden in België of Zwitserland. Dat er een medische noodzaak bestaat voor begeleiding bij reizen met openbaar vervoer is niet in geschil. De stelling van appellant dat dit ook geldt voor (wat langere) reizen per auto is tot en met de tweede zitting in beroep onweersproken. De Raad gaat, gezien alle voorhanden zijnde gegevens, ook van die medische noodzaak uit.
2.3. Het door verweerster bij het bestreden besluit toegepaste beleid heeft geen betrekking op deze situatie. Gezien de medische noodzaak, zoals weergegeven onder 2.2, is de Raad van oordeel dat appellant op grond van het bepaalde in artikel 20 van Pro de Wet in aanmerking moet worden gebracht voor de redelijkerwijs gemaakte en te maken extra kosten voor begeleiding bij een reguliere vakantie per auto.
3. Gezien het vorenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en dient het beroep van appellant gegrond te worden verklaard. Verweerster dient een nieuw besluit op het bezwaar van appellant te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.
4. De Raad ziet hierin verder aanleiding om verweerster met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep, tot een bedrag van € 14,18 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het bestreden besluit van verweerster van 23 juli 2008;
Draagt verweerster op een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt verweerster in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 14,18.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van M. Lammerse als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M. Lammerse.
HD