ECLI:NL:CRVB:2010:BL9363

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4160 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, werkzaam als schoonmaakster, viel na een auto-ongeval uit met fysieke klachten. Het UWV stelde bij besluit vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering. Appellante maakte bezwaar en voerde psychische klachten aan die volgens haar onvoldoende waren meegewogen.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en ook in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de medische beoordeling juist is. De verzekeringsarts was op de hoogte van de psychische klachten, maar vond geen aanwijzingen voor ernstige psychopathologie op de datum in geding. Latere diagnoses van PTSS en depressie dateren van na die datum.

De Raad acht de rapportages van de bezwaararbeidsdeskundige voldoende gemotiveerd en concludeert dat appellante op de datum in geding in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die bij de functies horen. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en wijst het hoger beroep af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van de WIA-uitkering bevestigd.

Uitspraak

09/4160 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 juni 2009, 07/3356 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 26 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R.J.G. Schouenberg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 februari 2010. Appellante is in persoon verschenen, bijgestaan door haar dochter [naam dochter] en mr. Schouenberg. Tevens was aanwezig de tolk N. Dogan. Het Uwv was vertegenwoordigd door
mr. M.H.A.H. Smithuysen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is werkzaam geweest als schoonmaakster. Na een auto-ongeval is zij voor deze werkzaamheden op 17 januari 2005 uitgevallen met rug-, been-, schouder- en stuitklachten.
1.2. Bij besluit van 5 februari 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij na afloop van de voor haar geldende wachttijd op 15 januari 2007 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
1.3. Appellante heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 november 2007 heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 14 november 2007, hierna: het bestreden besluit, ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante herhaald dat onvoldoende rekening is gehouden met haar psychische klachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de door haar in eerste aanleg overgelegde verklaring van 3 februari 2009 van haar behandelend psychiater, waaruit tevens naar voren komt dat appellante reeds ten tijde van de beoordeling door het Uwv met deze klachten te kampen had.
4. De Raad komt niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. Ook de Raad ziet in de gedingstukken geen aanknopingspunten voor de stelling van appellante dat zij op de datum in geding verdergaand beperkt moet worden geacht dan vermeld in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 23 januari 2007. De Raad overweegt daartoe als volgt.
4.1.1. Met betrekking tot de vraag of met de psychische klachten van appellante voldoende rekening is gehouden overweegt de Raad het volgende. Uit de rapportage van de verzekeringsarts M.R.M. Enneking van 23 januari 2007 blijkt dat hij op de hoogte was van de psychische klachten van appellante – door hem omschreven als angst om mee te gaan in de auto, prikkelbaarheid en niet tegen stress/spanningen kunnen – waarvoor zij op dat moment niet onder behandeling was. Enneking concludeerde na oriënterend onderzoek van de psyche dat er ten aanzien van bewustzijn, concentratie, stemming, oriëntatie, waarnemen en denken geen afwijkingen waren; terwijl hij voorts ook geen andere aanwijzingen vond voor ernstige psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Enneking was van oordeel dat appellante fysiek niet te zwaar belast moest worden en ook niet te veel aan stress/spanningen blootgesteld diende te worden. Een en ander is vastgelegd in de FML van 23 januari 2007, waarin appellante onder andere aangewezen is geacht op werk zonder veelvuldige deadlines of productiepieken en op werk zonder verhoogd persoonlijk risico.
4.1.2. In het aanvullend bezwaarschrift van 11 mei 2007 heeft de gemachtigde van appellante gesteld dat appellante “vooral pijnklachten aan haar rechterarm en –schouder” heeft. Gelet hierop heeft de bezwaarverzekeringsarts R.M. de Vink zich naar het oordeel van de Raad terecht beperkt tot een – in aansluiting op de hoorzitting verricht – lichamelijk onderzoek. Wel heeft De Vink de FML aangepast door een – thans niet in geschil zijnde – aanvullende beperking op te nemen voor wringen (aspect 4.3 van de FML).
4.1.3. Eerst nadat de rapportage van De Vink was opgesteld heeft appellante bij brief van 13 september 2007 het Uwv de resultaten meegedeeld van de medische onderzoeken die zij inmiddels in Turkije had ondergaan en waaruit bleek dat sprake was van een ontsteking aan de slokdarm, schildklierproblemen en ernstige psychische klachten waarvoor zij met ingang van september 2007 in behandeling was gekomen bij de psychiatrische afdeling van het Slotervaartziekenhuis. Van de zijde van het Uwv is op de brief van 13 september 2007 aangetekend dat deze informatie geen wijziging brengt in de medische beoordeling en dat de gegevens niet zien op de datum in geding.
4.1.4. Tijdens de procedure bij de rechtbank heeft appellante een tweetal brieven overgelegd van haar behandelaar bij I-psy, drs. M. Angun. In de (eerste) brief van 20 februari 2008 wordt gesteld dat appellante bij I-psy bekend is sinds 22 augustus 2007 en wordt als diagnose Post Traumatisch Stress Syndroom (PTSS) gesteld. In de in overweging 3 genoemde brief van 3 februari 2009 wordt vermeld dat appellante sinds april 2008 in behandeling is bij I-psy en dat de diagnose PTSS en depressie is gesteld. Volgens Angun waren de bevindingen op het consult van 22 mei 2008 als volgt: “Status na verkeersongeluk in 2005, had pte klachten van PTSS en depressie, zij is bang om in een auto te zitten, krijgt beelden van het ongeluk voor haar ogen; heeft ’s nachts ook nachtmerries over het ongeluk. Zij kan hierdoor niet slapen.” Op beide brieven is door bezwaarverzekeringsarts De Vink gereageerd. Volgens de rapportage van De Vink van 3 maart 2008 ligt de datum dat appellante bij I-psy onder behandeling is gekomen, te weten 22 augustus 2007, ruim na de datum in geding. Bovendien is het volgens De Vink heel goed mogelijk dat appellante later alsnog dergelijke klachten kan ontwikkelen; De Vink wijst er in dat verband op dat appellante bij de verzekeringsarts nog geen herbelevingen van het ongeluk meldde, maar alleen aangaf niet meer in de auto te durven rijden. De Vink achtte het derhalve onwaarschijnlijk dat op de datum in geding al sprake was van PTSS. In zijn rapportage van 18 maart 2009, opgesteld naar aanleiding van de brief van 3 februari 2009, verwijst bezwaarverzekeringsarts De Vink naar zijn eerdere commentaar waarin hij al liet weten dat dit gegeven ruim na de datum in geding ligt. Voorts merkt De Vink in die rapportage op dat appellante eerder ook nog geen melding maakte van angstklachten.
4.1.5. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat de door appellante in eerste aanleg overgelegde brieven van Angun, waarnaar zij ook in hoger beroep weer heeft verwezen, geen aanleiding geven voor de conclusie dat de medische beperkingen van appellante zijn onderschat. Daarbij heeft de Raad in aanmerking genomen dat de in overweging 4.1.4 genoemde brieven van Angun niet eenduidig zijn wat betreft de startdatum van de behandeling. De eerste brief noemt 22 augustus 2007, de tweede april 2008. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat appellante op 22 augustus 2007 onder behandeling is gekomen voor haar psychische klachten – wat gelet op de in overweging 4.1.3 genoemde brief van 13 september 2007 niet onaannemelijk is – constateert de Raad in navolging van de bezwaarverzekeringsarts De Vink dat dit ruim - 7 maanden later - na de datum in geding is. Voorts heeft De Vink in zijn rapportage van 3 maart 2008 naar het oordeel van de Raad afdoende gemotiveerd dat het niet waarschijnlijk is dat er op de datum in geding al sprake was van PTSS. De Raad is ten slotte van oordeel dat in de brief van 3 februari 2009 enige extrapolatie van de bevindingen van Angun op het consult van 22 mei 2008 naar de in geding zijnde datum van 15 januari 2007 ontbreekt. Het vorenstaande wordt niet anders doordat De Vink in zijn rapportage van 18 maart 2009 ten onrechte vermeldt dat appellante eerder nog geen melding maakte van angstklachten, nu onder 4.1.1 al is vastgesteld dat verzekeringsarts Enneking bekend was met de angstklachten van appellante.
4.2. De Raad concludeert dat de medische grondslag van het bestreden besluit als juist kan worden aanvaard. Daarvan uitgaande, deelt de Raad het oordeel van de rechtbank dat met de toelichting in de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 22 oktober 2007 voldoende is gemotiveerd dat appellante op de datum in geding in staat was tot het verrichten van de werkzaamheden die zijn verbonden aan de bij de schatting in aanmerking genomen functies. Mede onder verwijzing naar de Regeling nadere invulling algemeen gebruikelijke bekwaamheden, voegt de Raad, in reactie op hetgeen daarover van de zijde van appellant is gemeld, daaraan toe dat appellante geacht moet worden de Nederlandse taal in voldoende mate te beheersen.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
4.4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 maart 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) A.E. van Rooij.
JL