ECLI:NL:CRVB:2010:BL9464
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing Wajong-uitkering wegens onvolledig onderzoek uitkeringsverleden
Appellant verzocht op 20 oktober 2005 om een Wajong-uitkering, die door het UWV werd afgewezen op grond van geschiktheid voor arbeid op zijn 18e verjaardag en geselecteerde functies. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant gegrond en beval hernieuwde beoordeling, maar handhaafde later de afwijzing. In hoger beroep stelde appellant dat hij op zijn 18e verjaardag al arbeidsongeschikt was en niet geschikt voor het eigen werk of geselecteerde functies.
De Raad stelde vast dat het UWV onvoldoende rekening hield met het toepasselijke beoordelingskader van de AAW, dat gold op de datum van appellant's 17e verjaardag. Tevens bleek dat het UWV onterecht uitging van een intrekking van de AAW-uitkering in 1993, terwijl een dergelijk besluit niet was genomen. Hierdoor was onduidelijk of een bestaand recht op een arbeidsongeschiktheidsuitkering toekenning van een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht verhindert.
De Raad concludeerde dat het UWV niet alle relevante feiten over het uitkeringsverleden had verzameld en daarmee in strijd had gehandeld met artikel 3:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Daarom vernietigde de Raad het besluit van 26 mei 2008 en bepaalde dat het UWV opnieuw moet beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 27 juli 2006, met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van 26 mei 2008 wordt vernietigd en het UWV wordt opgedragen opnieuw te beslissen op het bezwaar tegen het besluit van 27 juli 2006.