ECLI:NL:CRVB:2010:BL9494
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- R. Kooper
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand vreemdeling wegens niet-rechthebbende status volgens WWB
Appellant, een vreemdeling van Iraanse herkomst, had bijstand ontvangen maar deze werd ingetrokken vanwege zijn vreemdelingenbewaring vanaf 6 oktober 2006. Na opheffing van deze bewaring vroeg appellant opnieuw bijstand aan, welke werd afgewezen omdat hij geen rechthebbende is volgens artikel 11 van Pro de WWB.
De rechtbank vernietigde de besluiten wegens schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen van de besluiten in stand. Appellant voerde onder meer aan dat de vreemdelingenbewaring onrechtmatig was en dat hij bijstand moest krijgen vanwege zijn gedoogstatus.
De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende tegenbewijs leverde dat zijn vrijheid onrechtmatig was ontnomen en dat het College niet bevoegd was bijstand te verlenen op grond van de gedoogstatus. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en liet de intrekking en afwijzing van bijstand in stand.
Uitkomst: De aanvraag van appellant om bijstand wordt afgewezen omdat hij geen rechthebbende is volgens artikel 11 WWB en eerdere bijstandsverlening op grond van gedoogstatus geen recht geeft op voortzetting.