ECLI:NL:CRVB:2010:BL9850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Oplegging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen volgens Wet WIA
Betrokkene, werkgever van een werknemer die sinds 14 november 2004 wegens rugklachten uitviel, kreeg op 9 november 2006 een loonsanctie opgelegd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant) op grond van artikel 25, negende lid, van de Wet WIA. Deze sanctie werd opgelegd wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen.
De rechtbank Maastricht verklaarde het beroep van betrokkene gegrond en vernietigde het besluit, omdat appellant niet op de grondslag van het bezwaar had beslist zoals vereist in artikel 7:11 Awb Pro. De rechtbank vond dat appellant feiten en rapporten die na het primaire besluit waren opgesteld ten onrechte niet had meegewogen en dat de landelijke loonsanctiecommissie niet was geraadpleegd.
In hoger beroep stelde appellant dat hij wel degelijk op de juiste grondslag had beslist en dat de latere feiten alleen relevant waren voor herstelmeldingen. Tevens wees hij erop dat de landelijke loonsanctiecommissie een interne adviescommissie is zonder schending van wettelijke regels. Betrokkene voerde aan dat voldoende re-integratie had plaatsgevonden, maar de Raad oordeelde dat de re-integratie te traag en onvoldoende adequaat was, mede op basis van arbeidsdeskundigenrapporten.
De Raad concludeerde dat appellant terecht had vastgesteld dat betrokkene onvoldoende inspanningen had verricht zonder deugdelijke grond en dat het niet raadplegen van de landelijke loonsanctiecommissie niet tot benadeling had geleid. Daarom werd de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Er werden geen proceskosten aan partijen toegekend.
Uitkomst: Het beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en de loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen blijft gehandhaafd.