ECLI:NL:CRVB:2010:BM0066
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling WW-dagloon na ontbinding vennootschap en arbeidsurenverlies
Betrokkene was als vennoot van een vennootschap onder firma werkzaam als bladenman en vroeg per 26 september 2006 een WW-uitkering aan na het staken van zijn werkzaamheden en ontbinding van de vennootschap. Aanvankelijk werd de aanvraag afgewezen omdat betrokkene langer dan anderhalf jaar als zelfstandige had gewerkt. Na bezwaar wijzigde appellant het standpunt en erkende betrokkene als werknemer, waarna een loongerelateerde WW-uitkering werd toegekend met een dagloon van €117,52.
De rechtbank stelde het dagloon echter vast op €148,72, omdat zij achtnegende deel van de bruto-jaarwinst over 2006 als inkomen in aanmerking nam, gezien de ontbinding per 1 oktober 2006 en het arbeidsurenverlies in september 2006. Appellant ging in hoger beroep tegen deze uitspraak en stelde dat het dagloon op basis van het gehele kalenderjaar 2005 had moeten worden vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat noch artikel 45 van Pro de WW noch het Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen in deze situatie voorzien, maar dat het meest kan worden aangesloten bij artikel 45 WW Pro en het Besluit alsof betrokkene werknemer was geweest. De Raad bevestigde de referteperiode van 1 september 2005 tot en met 31 augustus 2006 en volgde de rechtbank in de berekening van het inkomen, waarbij het achtnegende deel van de jaarwinst 2006 werd meegenomen. De Raad wees het hoger beroep af en veroordeelde appellant in de proceskosten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het dagloon van €148,72 en wijst het hoger beroep af.