ECLI:NL:CRVB:2010:BM0234

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-2701 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na bedrijfsongeval

Appellant, een stadsbuschauffeur, viel uit na een bedrijfsongeval op 26 juni 2004. Het UWV weigerde hem per 24 juni 2006 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep volgden het oordeel van een onafhankelijke revalidatiearts, die concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk en andere functies met minder verdiencapaciteitsverlies.

Appellant voerde aan dat het onderzoek van de verzekeringsarts onvoldoende was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de belasting van zijn eigen werk. Tevens diende hij een rapport van een psychiater in, dat een chronische aanpassingsstoornis stelde. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek van de deskundige zorgvuldig en overtuigend was, en dat het psychiatrisch rapport onvoldoende onderbouwd was en bovendien pas ruim drie jaar na de relevante datum was opgesteld.

De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van het deskundigenoordeel en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen gronden gevonden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk.

Uitspraak

09/2701 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 17 april 2009, 07/1389 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.S. Fluit, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant was werkzaam als stadsbuschauffeur. Hij is op 26 juni 2004 uitgevallen na een bedrijfsongeval.
1.2. Bij besluit van 20 december 2006 heeft het Uwv geweigerd appellant per einde wachttijd (24 juni 2006) in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) omdat hij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant is primair geschikt geacht voor zijn eigen werk. Subsidiair zijn er functies geduid waarmee het verlies aan verdiencapaciteit minder is dan 35%.
1.3. Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 1 mei 2007 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft revalidatiearts W. Hokken als deskundige benoemd. Hokken heeft zich, blijkens zijn rapportage van 21 augustus 2008 kunnen verenigen met de FML waarin de beperkingen van appellant zijn opgenomen. Daarnaast is Hokken van mening dat appellant geschikt is voor zowel zijn eigen werk als voor de geduide functies. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich hier niet mee kunnen verenigen en zich - voor zover van belang - op het standpunt gesteld dat zijn beperkingen niet goed zijn vastgesteld door de verzekeringsarts. Door het Uwv is naar de mening van appellant voorts onvoldoende onderzoek verricht naar de belasting van het eigen werk. Ten onrechte heeft de rechtbank Hokken gevolgd. Hokken heeft geen kennis genomen van de bevindingen van de Arbo-arts en was evenmin goed op de hoogte van de belasting van het eigen werk van appellant. Appellant heeft bij schrijven van 4 februari 2010 een rapport van psychiater G.W.C. van den Berg van 17 oktober 2009 ingediend.
4.1. De Raad heeft geen aanleiding gezien om over het onderzoek van de deskundige anders te oordelen dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft gedaan. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat hij het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is ook de Raad niet gebleken. De Raad volgt appellant niet in zijn stelling dat het onderzoek door Hokken niet zorgvuldig geweest is. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de deskundige een voldoende uitgebreid onderzoek heeft ingesteld naar de gezondheidssituatie en de daaruit voortvloeiende beperkingen van appellant ten tijde hier van belang, terwijl zijn conclusies overtuigend zijn onderbouwd. Dat hij in zijn rapportage geen melding gemaakt heeft van de rapporten van de Arbo-arts, doet aan de zorgvuldigheid van zijn onderzoek niet af. De stelling van appellant dat Hokken geen goed beeld had van de belasting van het eigen werk van appellant slaagt niet. Uit de rapportage van de deskundige blijkt dat hij op de hoogte was van de belasting die het werk van stadsbuschauffeur met zich brengt. Deze belasting heeft hij afgezet tegen de belastbaarheid van appellant en daarbij is hij tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk.
Feiten of omstandigheden om van het uitgangspunt om de deskundige te volgen af te wijken ziet de Raad evenmin in het rapport van psychiater Van den Berg van 17 oktober 2009. De Raad overweegt hiertoe dat het onderzoek van Van den Berg is verricht ruim drie jaar na de datum in geding. De enkele stelling van Van den Berg dat er ook op de datum in geding sprake was van een chronische aanpassingsstoornis, is - nog daargelaten dat een onderbouwing van zijn conclusie en een beschrijving van beperkingen in zijn rapportage ontbreken - niet voldoende om tot een ander oordeel te komen.
4.2. Nu de Raad - met de rechtbank - tot het oordeel komt dat appellant geschikt is voor zijn eigen werk, behoeft al hetgeen overigens is aangevoerd geen bespreking meer.
5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.L. Rijnen.
TM