ECLI:NL:CRVB:2010:BM0234
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na bedrijfsongeval
Appellant, een stadsbuschauffeur, viel uit na een bedrijfsongeval op 26 juni 2004. Het UWV weigerde hem per 24 juni 2006 een WIA-uitkering toe te kennen omdat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Zowel de rechtbank als de Centrale Raad van Beroep volgden het oordeel van een onafhankelijke revalidatiearts, die concludeerde dat appellant geschikt was voor zijn eigen werk en andere functies met minder verdiencapaciteitsverlies.
Appellant voerde aan dat het onderzoek van de verzekeringsarts onvoldoende was en dat onvoldoende rekening was gehouden met de belasting van zijn eigen werk. Tevens diende hij een rapport van een psychiater in, dat een chronische aanpassingsstoornis stelde. De Raad oordeelde echter dat het onderzoek van de deskundige zorgvuldig en overtuigend was, en dat het psychiatrisch rapport onvoldoende onderbouwd was en bovendien pas ruim drie jaar na de relevante datum was opgesteld.
De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van het deskundigenoordeel en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen gronden gevonden om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en geschikt wordt geacht voor zijn eigen werk.