ECLI:NL:CRVB:2010:BM0260
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende nieuwe medische gronden
Appellant, werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek na een bedrijfsongeval. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen op basis van medische en arbeidskundige beoordelingen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij geen nieuwe medische aanwijzingen werden gevonden die het oordeel van de verzekeringsarts konden weerleggen.
In hoger beroep stelde appellant dat er onenigheid was tussen de bedrijfsarts en de verzekeringsarts en overhandigde een MRI-rapport uit Duitsland. De Raad oordeelde dat dit geen nieuwe medische feiten bevatte die het eerdere oordeel konden veranderen en zag geen reden tot het raadplegen van een deskundige.
Ten aanzien van de arbeidskundige beoordeling werd in hoger beroep een nadere toelichting gegeven, waaruit bleek dat één functie te belastend was, maar andere functies binnen de mogelijkheden van appellant lagen. Gezien deze nieuwe arbeidskundige toelichting vernietigde de Raad het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak, maar liet de rechtsgevolgen van het besluit in stand.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en bepaalde dat het betaalde griffierecht aan appellant wordt vergoed.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.