ECLI:NL:CRVB:2010:BM0324

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 maart 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4555 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 WWBArt. 18 WWB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging korting bijstandsuitkering wegens niet meewerken aan arbeidsinschakeling

Appellante ontvangt sinds 1986 bijstand en werd in het kader van arbeidsinschakeling geplaatst op een werkervaringsplaats bij Fourstar. Na een ziekmelding wegens longklachten werd zij op 14 februari 2007 arbeidsgeschikt verklaard, maar zij hervatte haar werkzaamheden niet en meldde zich ook niet opnieuw ziek. De Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda legde daarom een korting van €160,-- op haar bijstandsuitkering op.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze maatregel ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dit oordeel. De Raad overwoog dat appellante verplicht was gebruik te maken van de aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Ondanks haar herstelverklaring verscheen zij niet op de werkervaringsplaats, en was er geen sprake van fysieke of psychische belemmeringen die haar verhinderd zouden hebben.

Hoewel appellante later rapportages van een psychiater overlegde, kon de Raad hieruit niet afleiden dat zij op het moment van de weigering arbeidsongeschikt was. De maatregel was passend gezien het doel van het traject om werkervaring en arbeidsritme op te doen. De Raad vond dat er sprake was van verwijtbaarheid en dat de korting in overeenstemming met de gemeentelijke verordening was toegepast. Het hoger beroep werd daarom verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de korting op de bijstandsuitkering van €160,-- wordt bevestigd.

Uitspraak

08/4555 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 26 juni 2008, 07/4441 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Breda (hierna: Commissie)
Datum uitspraak: 22 maart 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.J. Visser, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. A.B.M. Adriaansen, kantoorgenoot van mr. Visser. Het College heeft zich, zoals tevoren bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontvangt sinds 1986 bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande. In het kader van de inschakeling van appellante in het arbeidsproces is appellante geplaatst op een werkervaringsplaats bij Fourstar.
1.2. Na een ziekmelding wegens longklachten is appellante op 14 februari 2007 door de Arbodienst met ingang van de volgende dag arbeidsgeschikt verklaard. Appellante heeft op 15 februari 2007 haar werkzaamheden niet hervat en zich ook niet opnieuw ziekgemeld.
1.3. Bij besluit van 20 maart 2007, zoals gehandhaafd bij besluit van 18 september 2007, heeft de Commissie op de bijstand van appellante met ingang van 15 februari 2007 een maatregel toegepast bestaande uit een korting van € 160,--. Daartoe is overwogen, kort gezegd, dat appellante ten onrechte niet heeft meegewerkt aan een haar aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak, voor zover hier van belang, het beroep van appellante tegen het besluit van 18 september 2007 ongegrond verklaard.
3. De Raad overweegt naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd het volgende.
3.1. Op appellante rustte ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB de verplichting om gebruik te maken van een aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling. In dat verband is appellante aangemeld voor een traject bij re-integratiebedrijf Fourstar. In het kader van trajectbegeleiding is afgesproken dat appellante gedurende een periode van drie maanden productieve werkzaamheden zou verrichten, teneinde haar werkritme en arbeidservaring te laten opdoen. Van daaruit zou dan gezocht kunnen worden naar ander werk of een stageplek.
3.2. Onbetwist is dat appellante, ondanks haar hersteldverklaring, op 15 februari 2007 zonder bericht van verhindering niet is verschenen op het werk bij Fourstar. Daarmee staat vast dat zij geen gebruik heeft gemaakt van een door de Commissie gegeven voorziening.
3.3. Ter zitting van de rechtbank heeft appellante gesteld dat er geen fysieke of psychische belemmeringen waren om te hervatten, maar dat zij werk op haar eigen niveau wilde doen en dat productiewerk onder haar niveau is. Dienaangaande heeft de rechtbank naar het oordeel van de Raad terecht overwogen dat gelet op de lange duur van werkloosheid, het ontbreken van (recente) werkervaring en de vele mogelijkheden tot uitstroom die appellante al waren geboden, van haar verlangd mocht worden bij Fourstar te hervatten. De Raad acht hierbij van belang dat deze voorziening er nu juist op was gericht appellante weer werkervaring en arbeidsritme te laten op doen.
3.4. In hoger beroep heeft appellante informatie overgelegd van de psychiater, bij wie zij sedert medio 2009 in behandeling is, en van een op verzoek van de Commissie op
11 augustus 2009 uitgebracht rapport omtrent haar beperkingen en arbeidsmogelijkheden. Anders dan appellante kan de Raad uit deze rapportages niet afleiden dat appellante ten tijde hier van belang, te weten 15 februari 2007, wegens een psychiatrische stoornis buiten staat was het werk bij Fourstar te hervatten. Dat, zoals de psychiater onder meer rapporteert, al langer sprake is van klachten, en dat, vanwege een posttraumatische stressstoornis thans sprake lijkt te zijn van een situatie van niet meer normaal functioneren, is daartoe onvoldoende te achten.
3.5. Op grond van hetgeen onder 3.3 en 3.4 is overwogen kan van de gedraging niet worden gezegd dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Hieruit volgt dat de Commissie ingevolge artikel 18, tweede lid, van de WWB gehouden was de bijstand van appellante in overeenstemming met de gemeentelijke afstemmingsverordening te verlagen. De Raad onderschrijft voorts de conclusie van de rechtbank dat de zwaarte van de opgelegde maatregel stand houdt en verwijst naar de overwegingen hieromtrent van de rechtbank.
3.6. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
4. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van C. de Blaeij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2010.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) C. de Blaeij.
RB