ECLI:NL:CRVB:2010:BM0467

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6892 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening intrekking WAZ-uitkering ondanks nieuw operatieverslag

Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 30 maart 2006 tot intrekking van zijn WAZ-uitkering. Hij voerde aan dat een operatieverslag van 7 maart 2007 een nieuw feit vormde dat een herziening rechtvaardigde. Het UWV en de bezwaarverzekeringsarts beoordeelden het nieuwe medische bewijs, maar concludeerden dat het operatieverslag geen aanleiding gaf om het eerdere besluit te herzien.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad overwoog dat hoewel het operatieverslag als nieuw feit kon worden aangemerkt, dit niet betekende dat het oorspronkelijke besluit onjuist was vastgesteld. De medische beoordelingen bleven ongewijzigd en het UWV had in redelijkheid het bestreden besluit kunnen nemen.

De Raad wees tevens op de beperkingen van de toetsing bij herziening van bestuursbesluiten en benadrukte dat het oorspronkelijke besluit het uitgangspunt blijft, waarbij alleen nieuwe feiten of omstandigheden aanleiding kunnen geven tot herziening. Het beroep werd afgewezen en de proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om terug te komen op de intrekking van de WAZ-uitkering.

Uitspraak

08/6892 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 3 november 2008, 08/346 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. N.J. Brouwer, werkzaam bij DAS rechtsbijstand te ’s-Hertogenbosch, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Brouwer. Het Uwv heeft zich, met voorafgaand bericht, niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 6 juli 2006 heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 30 maart 2006, waarbij de uitkering van appellant ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) per 1 juni 2006 is ingetrokken, niet-ontvankelijk verklaard omdat het bezwaarschrift niet binnen de daarvoor geldende termijn van zes weken na verzending van het besluit van 30 maart 2006 bij het Uwv is ontvangen.
1.2. Appellant heeft tegen het besluit van 6 juli 2006 geen rechtsmiddelen aangewend, zodat het besluit van 30 maart 2006 in rechte onaantastbaar is geworden.
1.3. Bij schrijven van 12 november 2007 heeft appellant het Uwv verzocht om terug te komen van het besluit van 30 maart 2006 en daartoe aangevoerd dat er meer medische beperkingen waren dan door het Uwv aangenomen werd ten tijde van de intrekking van de WAZ-uitkering. Ter onderbouwing heeft appellant een operatieverslag van
7 maart 2007 van de neurochirurg S. Boomstra overgelegd.
1.4. Verzekeringsarts P.A.J.M. Lieven heeft in zijn rapportage van 26 november 2007 aangegeven dat uit een brief van appellant van 26 juni 2007 blijkt dat eerst sprake was van toegenomen klachten in oktober 2006, hetgeen ook wordt bevestigd tijdens het daarop volgend spreekuur van de verzekeringsarts van 4 september 2007. Uit het operatieverslag van 7 maart 2007 van neurochirurg Boomstra blijkt tevens niet dat er al toegenomen klachten en beperkingen bestonden op 1 juni 2006, aldus Lieven.
1.5. Het Uwv heeft bij besluit van 29 november 2007 besloten niet terug te komen op het besluit van 30 maart 2006, met als reden dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft aangevoerd die hiertoe aanleiding geven.
1.6. Het tegen het besluit van 29 november 2007 gerichte bezwaar van appellant is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts E. Vastert die op grond van dossieronderzoek heeft geconcludeerd dat het operatieverslag van 7 maart 2007 geen harde aanwijzingen bevat voor het standpunt van appellant dat de rugklachten reeds op 1 juni 2006 waren toegenomen, bij besluit van 29 februari 2008 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellant – onder meer – aangevoerd dat het operatieverslag van de neurochirurg Boomstra van 7 maart 2007 wel degelijk een nieuw feit oplevert waarin het Uwv aanleiding had behoren te zien terug te komen van het besluit van
30 maart 2006. Appellant betoogt dat de aanwijsbare toename van klachten per oktober 2006 en de daaropvolgende operatie van 7 maart 2007 niet uit het niets zijn ontstaan, echter een ontwikkeling hebben doorgemaakt. Er was derhalve op 1 juni 2006 al sprake van een toename van klachten, aldus appellant.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder (ambtshalve) genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijk besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijk besluit te herzien.
4.3. De Raad stelt vast dat het Uwv de zaak, op grond van het ingebrachte operatieverslag van 7 maart 2007, opnieuw heeft beoordeeld, maar dat dit niet tot een andere uitkomst heeft geleid.
4.4. De Raad is van oordeel dat weliswaar kan worden gesteld dat het operatieverslag voorheen niet bekend was en derhalve kan worden aangemerkt als een nieuw feit, maar daarmee staat niet vast dat de eerder door het Uwv aangenomen beperkingen ten aanzien van appellant in een ander licht moeten worden geplaatst, laat staan dat deze onjuist zijn vastgesteld. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat zowel de verzekeringsarts Lieven als de bezwaarverzekeringsarts Vastert bij hun herbeoordeling alle beschikbare medische informatie in onderling verband hebben bezien en in het operatieverslag van
7 maart 2007 van de neurochirurg Boomstra geen aanleiding hebben gezien voor een wijziging van het medisch oordeel. De Raad ziet geen reden om te oordelen dat het Uwv niet in redelijkheid tot het bestreden besluit had kunnen komen, dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.
4.5. Ten aanzien van het in beroep overgelegde rapport van de orthopedisch chirurg en de brieven van de manueel therapeut, is de Raad van oordeel dat deze niet bij de beoordeling van het bestreden besluit kunnen worden betrokken nu het rapport en de brieven niet bij het Uwv bekend waren ten tijde van het nemen van het bestreden besluit.
4.6. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb, inzake de vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.W. Schuttel en C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
EF