ECLI:NL:CRVB:2010:BM0468

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6622 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken van arbeidsongeschiktheid

Appellant, werkzaam als uitzendkracht in de tuinbouw, meldde zich op 16 oktober 2007 ziek. Aanvankelijk werd hem ziekengeld toegekend. Op 23 januari 2008 besloot het UWV echter de uitkering te beëindigen, omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 18 maart 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en stelde vast dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd.

De Raad overwoog dat het werk in een rozenkas niet als lichamelijk zwaar kan worden aangemerkt en dat de medische klachten van appellant, waaronder suikerziekte, hartklachten en nek- en rugklachten, geen evidente beperkingen opleveren. De cardioloog constateerde geen coronairinsufficiëntie en de klachten waren niet objectief aantoonbaar. Op basis hiervan concludeerde de bezwaarverzekeringsarts dat appellant niet arbeidsongeschikt was op de datum in geding.

De Centrale Raad van Beroep vond geen aanleiding om af te wijken van deze conclusies en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werden geen proceskosten toegekend. De beslissing werd uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant niet arbeidsongeschikt is en weigert het ziekengeld.

Uitspraak

08/6622 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 4 november 2008, 08/2692 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. De Witte. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
1.1 Appellant heeft zich op 16 oktober 2007 ziek gemeld voor zijn werk als uitzendkracht in de tuinbouw. Naar aanleiding hiervan is aan appellant ziekengeld toegekend.
2. Bij besluit van 23 januari 2008 is aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van
28 januari 2008 geen ziekengeld meer wordt uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
3. Bij besluit van 18 maart 2008 (het bestreden besluit) is bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 januari 2008 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank zag geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten en heeft daarbij overwogen dat de verzekeringsarts over de hartklachten van appellant overleg had gevoerd met de poli-cardiologie waar appellant is behandeld, dat de bezwaarverzekeringsarts wat betreft de nek- en rugklachten van appellant geen objectiveerbare afwijkingen had gevonden en dat appellants klachten over vaatvernauwing in de benen blijkens informatie in het dossier op de datum in geding nog geen rol speelden. De rechtbank heeft verder in aanmerking genomen dat appellants werk niet als zwaar kon worden bestempeld.
5. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden voor een ander oordeel.
5.1. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 7 maart 2008 expliciet aandacht besteed aan het werk van appellant in een rozenkas en gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten - naar het oordeel van de Raad op goede gronden - geconcludeerd dat dit niet als lichamelijk zwaar kan worden bestempeld. De Raad ziet dan ook geen grond voor nader onderzoek naar de aard en de omvang van dit werk.
5.2. In aanmerking genomen dat appellants aandoeningen volgens de bezwaarverzekeringsarts niet tot evidente beperkingen leiden - dit onder overweging dat de suikerziekte goed is gereguleerd, de cardioloog geen coronairinsufficiëntie heeft geconstateerd en dat het eiwit in de urine geen klinische verschijnselen geeft en de nek- en rugklachten niet goed zijn te objectiveren - ziet de Raad geen reden om te twijfelen aan de conclusie van deze arts dat appellant op de datum in geding niet ongeschikt was voor zijn arbeid.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 en 5.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.W. Schuttel en
C.P.J. Goorden als leden in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is, uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
JL