ECLI:NL:CRVB:2010:BM0481
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.W. Schuttel
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maximale duur ziektewetuitkering ondanks onderbreking van ziekmelding
Appellante was werkzaam als medewerker financieel management en ontving vanaf september 2003 een WW-uitkering. Vanaf april 2005 meldde zij zich ziek wegens rugklachten en ontving zij een Ziektewetuitkering, die ononderbroken liep tot oktober 2006. Na een korte onderbreking van ziekengeld tussen 27 oktober en 13 november 2006, meldde zij zich opnieuw ziek.
Het UWV stelde de maximale uitkeringsduur van 104 weken vast op 9 mei 2007 en beëindigde het recht op ziekengeld per die datum. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, waarbij zij oordeelde dat de verlaging van het dagloon en de maximale uitkeringsduur correct waren vastgesteld.
In hoger beroep stelde appellante dat de einddatum onjuist was en dat sprake was van doorlopende arbeidsongeschiktheid. De Raad oordeelde dat de korte onderbreking geen nieuwe wachttijd veroorzaakte, omdat de nieuwe ziekmelding binnen vier weken na de beëindiging plaatsvond. Hierdoor was het vaststellen van de maximale uitkeringsduur op 9 mei 2007 terecht.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. De beslissing werd uitgesproken door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 7 april 2010.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de maximale duur van de ziektewetuitkering op 9 mei 2007 terecht is vastgesteld.