ECLI:NL:CRVB:2010:BM0490
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J.W. Schuttel
- C.P.J. Goorden
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld na onderbreking arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds januari 1999 arbeidsongeschikt was verklaard en een WAO-uitkering ontving, meldde zich in mei 2005 ziek met diverse klachten. Het UWV kende hem daarop een Ziektewet-uitkering toe. In oktober 2006 stelde een verzekeringsarts vast dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was voor zijn werk, waarna het UWV het ziekengeld stopzette. Appellant maakte bezwaar, waarop de rechtbank in 2007 het besluit vernietigde en het UWV opdroeg een nieuw besluit te nemen.
Na nieuw onderzoek verklaarde het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond en stelde vast dat de arbeidsongeschiktheid was onderbroken van 23 oktober 2006 tot 21 februari 2007, waardoor het recht op ziekengeld opnieuw kon beginnen vanaf die datum. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij de voorgestelde functie niet kon uitvoeren.
De Raad oordeelde dat de medische rapportages voldoende onderbouwing boden dat appellant geschikt was voor de functie van statistisch medewerker en dat er geen objectieve medische afwijkingen waren die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden. De Raad bevestigde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld vanaf 23 oktober 2006 had beëindigd en dat de eerste dag van arbeidsongeschiktheid na onderbreking terecht op 21 februari 2007 was vastgesteld. Betalingen in de onderbrekingsperiode waren onterecht gedaan.
De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 23 oktober 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld vanwege onderbreking van arbeidsongeschiktheid.