ECLI:NL:CRVB:2010:BM0490

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-250 ZW en 09-251 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 29, vijfde lid, ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld na onderbreking arbeidsongeschiktheid

Appellant, die sinds januari 1999 arbeidsongeschikt was verklaard en een WAO-uitkering ontving, meldde zich in mei 2005 ziek met diverse klachten. Het UWV kende hem daarop een Ziektewet-uitkering toe. In oktober 2006 stelde een verzekeringsarts vast dat appellant niet langer arbeidsongeschikt was voor zijn werk, waarna het UWV het ziekengeld stopzette. Appellant maakte bezwaar, waarop de rechtbank in 2007 het besluit vernietigde en het UWV opdroeg een nieuw besluit te nemen.

Na nieuw onderzoek verklaarde het UWV het bezwaar opnieuw ongegrond en stelde vast dat de arbeidsongeschiktheid was onderbroken van 23 oktober 2006 tot 21 februari 2007, waardoor het recht op ziekengeld opnieuw kon beginnen vanaf die datum. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep voerde appellant aan dat het medisch onderzoek onvoldoende zorgvuldig was en dat hij de voorgestelde functie niet kon uitvoeren.

De Raad oordeelde dat de medische rapportages voldoende onderbouwing boden dat appellant geschikt was voor de functie van statistisch medewerker en dat er geen objectieve medische afwijkingen waren die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigden. De Raad bevestigde dat het UWV terecht het recht op ziekengeld vanaf 23 oktober 2006 had beëindigd en dat de eerste dag van arbeidsongeschiktheid na onderbreking terecht op 21 februari 2007 was vastgesteld. Betalingen in de onderbrekingsperiode waren onterecht gedaan.

De Raad wees het hoger beroep af en bevestigde de eerdere uitspraken van de rechtbank. Tevens werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 23 oktober 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld vanwege onderbreking van arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

09/250 ZW en 09/251 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Alkmaar van 4 december 2008, 08/52
(hierna: aangevallen uitspraak 1) en 08/1655 (hierna: aangevallen uitspraak 2),
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en een aanvullende rapportage van de bezwaarverzekeringsarts M. Hoogeboom-Copier van 2 maart 2009 overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 februari 2010. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. van Nederveen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft laatstelijk gewerkt als conciërge in het onderwijs, voor welke werkzaamheden hij in januari 1999 is uitgevallen. Nadien heeft hij nog tijdelijk in het kader van re-integratie gewerkt. Bij besluit op bezwaar van 13 mei 2004 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 16 oktober 2001 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Het hiertegen ingestelde beroep is door de rechtbank bij uitspraak van 15 februari 2005, 04/1272, ongegrond verklaard. Deze uitspraak is door de Raad bij uitspraak van 16 mei 2007, 05/1919 (LJN BA5578) bevestigd.
2.1. Vanuit die situatie heeft appellant zich op 13 mei 2005 ziek gemeld met toenemende klachten bij inspanning, hoofdpijn, nek- en rugpijn en psychische klachten. Vervolgens heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend. Appellant is een aantal keren gezien op het spreekuur van een verzekeringsarts. Op het laatste spreekuur van 16 oktober 2006 heeft de verzekeringsarts J.J.B. Batelaan vastgesteld dat appellant met ingang van 23 oktober 2006 niet (meer) wegens ziekte of gebreken ongeschikt wordt geacht voor zijn arbeid. Bij besluit van 16 oktober 2006 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij vanaf 23 oktober 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld.
2.2. Bij besluit van 24 april 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 oktober 2006 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 26 september 2007, 07/1098, heeft de rechtbank het hiertegen ingestelde beroep van appellant gegrond verklaard, het besluit van 24 april 2007 vernietigd en het Uwv opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.
2.3. Ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 26 september 2007 heeft het Uwv bij besluit van 10 december 2007 (hierna: bestreden besluit 1) het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts
M. Hoogeboom-Copier van 4 december 2007, opnieuw ongegrond verklaard.
3.1. Naar aanleiding van een nieuwe ziekmelding per 21 februari 2007 heeft het Uwv bij besluit van 5 maart 2007 aan appellant met ingang van eerstgenoemde datum ziekengeld toegekend. Bij besluit van 11 maart 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat deze uitkering op 10 mei 2007 wordt beëindigd, omdat deze niet langer dan 104 weken na aanvang van het ziekteverzuim kan duren.
3.2. Bij besluit van 23 april 2008 (hierna: bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 maart 2008 gegrond verklaard. Daarbij is aangegeven dat de periode van arbeidsongeschiktheid is onderbroken van 23 oktober 2006 tot 21 februari 2007 (dus langer dan vier weken) en dat in principe over een tijdvak van 104 weken na 21 februari 2007, bij voortdurende arbeidsongeschiktheid, ziekengeld uitgekeerd kan worden.
4.1. Bij de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv met het nieuwe onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts uitvoering heeft gegeven aan haar uitspraak van 26 september 2007 en dat het bestreden besluit daarmee op een deugdelijke medische grondslag berust. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv appellant terecht geschikt heeft geacht voor de functie statistisch medewerker, die in het kader van de WAO-beoordeling aan hem is voorgehouden. Mitsdien heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank op goede gronden besloten dat appellant met ingang van 23 oktober 2006 geen recht meer heeft op ziekengeld.
4.2. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat in de aangevallen uitspraak 1 is geoordeeld dat het Uwv terecht en op goede gronden het recht op ziekengeld met ingang van 23 oktober 2006 heeft beëindigd en dat niet in geschil is dat op 21 februari 2007 opnieuw aan appellant ziekengeld is toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de ZW, terecht vastgesteld op 21 februari 2007. Dat over de periode van 23 oktober 2006 tot 21 februari 2007 wel ziekengeld aan appellant is uitbetaald, kan daaraan volgens de rechtbank niet afdoen.
5. In hoger beroep heeft appellant -samengevat- aangevoerd dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen van het Uwv niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, in welk verband hij heeft verwezen naar de medische informatie van de orthopedisch chirurg en naar de door hem gebruikte medicatie. Voorts acht hij zich, gelet op zijn geestelijke en lichamelijke gesteldheid, niet in staat om de hem in het kader van de WAO-beoordeling voorgehouden functie statistisch medewerker uit te voeren. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij ook na 23 oktober 2006 aanspraak heeft op ziekengeld, in welk verband hij erop heeft gewezen dat hij vanaf die datum ook ziekengeld heeft ontvangen.
6. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraken heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
09/250 ZW
6.1. Ingevolge artikel 19 van Pro de ZW bestaat recht op ziekengeld indien de verzekerde wegens ziekte of gebrek ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder ”zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximumtermijn ziekengeld te hebben ontvangen, blijvend ongeschikt is voor zijn werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op een uitkering ingevolge de WAO.
Deze concretisering in het kader van de WAO betekent dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht. Gelet hierop dient onder ”zijn arbeid” in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk. Dit brengt mee dat de verzekerde in de hier bedoelde gevallen voor de toepassing van de ZW ongeschikt is voor ”zijn arbeid”, als hij voor al deze functies ongeschikt is. In het onderhavige geval moet als ”zijn arbeid” worden aangemerkt elk van de functies die aan appellant zijn voorgehouden bij het besluit waarbij hem een
WAO-uitkering is toegekend, berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot 35%.
6.2. In dat kader stelt de Raad voorop dat het besluit tot toekenning van de WAO-uitkering aan appellant per 16 oktober 2001 naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van
25 tot 35% met de onder 1 genoemde uitspraak van de Raad van 16 mei 2007, LJN BA5578, in rechte vaststaat. Dat betekent dat in dit geding van de juistheid van de destijds vastgestelde belastbaarheid van appellant, alsmede van de geschiktheid van appellant voor de in dat kader geduide functies dient te worden uitgegaan. Mitsdien is het Uwv bij de beoordeling van de aanspraak van appellant op ziekengeld terecht uitgegaan van deze functies als zijn maatstaf arbeid. In het kader van de beoordeling van de aanspraak op ziekengeld kan het opleidingsniveau en de destijds vastgestelde medische geschiktheid van appellant voor die functies dan ook niet aan de orde komen.
6.3. In het kader van de beoordeling van de aanspraak van appellant op ziekengeld ziet de Raad in de beschikbare medische informatie omtrent appellant onvoldoende aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Naar het oordeel van de Raad hebben de verzekeringsarts Batelaan en de bezwaarverzekeringsarts Hoogeboom-Copier in hun rapportages overtuigend aangegeven dat er geen medisch objectiveerbare afwijkingen aantoonbaar zijn op basis waarvan arbeidsongeschiktheid voor de geduide functie statistisch medewerker te rechtvaardigen is in verband met de lichamelijke of psychische klachten van appellant op de datum in geding. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts aangegeven dat een juiste functiebeschrijving beschikbaar was en dat destijds in het kader van de WAO-beoordeling tussen de bezwaararbeidsdeskundige en de bezwaarverzekeringsarts overleg heeft plaatsgevonden, waaruit blijkt dat de genoemde functie voor appellant geschikt werd geacht. Wat betreft de door appellant in hoger beroep vermelde gehoorklachten heeft de bezwaarverzekeringsarts in haar rapportage van 2 maart 2009 aangegeven dat deze klachten niet eerder zijn gemeld en dat hierover geen medische gegevens zijn overgelegd. Appellant heeft zijn in hoger beroep herhaalde standpunt dat zijn beperkingen zijn onderschat ook overigens niet met nadere medische gegevens onderbouwd. Mitsdien is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellant met ingang van 23 oktober 2006 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
6.4. Uit hetgeen hiervoor onder 6.1 tot en met 6.3 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak 1 dient te worden bevestigd.
09/251 ZW
7.1. Gelet op hetgeen is overwogen onder 6.3 is de Raad evenals de rechtbank van oordeel dat het Uwv de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, zoals bedoeld in artikel 29, vijfde lid, van de ZW, terecht heeft vastgesteld op 21 februari 2007, nu de periode van arbeidsongeschiktheid langer dan vier weken is onderbroken, namelijk van
23 oktober 2006 tot 21 februari 2007. Dat appellant over die periode wel betalingen ten titel van ziekengeld heeft ontvangen, kan de Raad niet tot een ander oordeel leiden, nu over die periode geen medisch oordeel over de arbeidsongeschiktheid van appellant is gegeven en, naar van de zijde van het Uwv is aangegeven, die betalingen ten onrechte hebben plaatsgevonden.
7.2. Hetgeen onder 7.1 is overwogen, leidt de Raad dan ook tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak 2 eveneens dient te worden bevestigd.
8. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.W. Schuttel en
C.P.J. Goorden als leden, in tegenwoordigheid van M. Mostert als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M. Mostert.
IvR