Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BM0518

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4388 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 18 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 4 Wet WIAArt. 5 Wet WIAArt. 6 Wet WIAArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken van beperkingen door alcoholgebruik

Appellant, voormalig magazijnmedewerker, vroeg een WIA-uitkering aan na ziekmelding in 2005. Het UWV wees de uitkering af omdat geen sprake was van arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische beperkingen niet waren onderschat en dat de geselecteerde functies passend waren.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij meer beperkingen had en dat zijn alcoholgebruik als ziekte of gebrek moest worden beschouwd. Hij overlegde een brief van een psycholoog, maar deze leverde geen nieuwe feiten op die het eerdere oordeel konden wijzigen. De Raad volgde de eerdere conclusie dat verslaving op zich geen ziekte is, tenzij daaruit beperkingen voortvloeien of klinische behandeling noodzakelijk is.

De Raad oordeelde dat appellant op de datum in geding niet werd behandeld voor zijn alcoholgebruik en dat er geen bewijs was dat hij meer beperkt was dan het UWV had vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van beperkingen door alcoholgebruik.

Uitspraak

09/4388 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 juli 2009, 08/1312
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L. Boon, advocaat te Eindhoven, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2009. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Boon. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.M.J. Evers. Ter zitting is het onderzoek geschorst teneinde het Uwv in de gelegenheid te stellen te reageren op de door appellant ter zitting overgelegde stukken.
Bij schrijven van 23 december 2009 heeft het Uwv een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van dezelfde datum overgelegd. Zijdens appellant is op 26 januari 2010 op dit rapport gereageerd.
Beide partijen hebben toestemming gegeven om de zaak zonder nadere zitting af te doen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is werkzaam geweest als magazijnmedewerker. Op 22 september 2005 heeft hij zich ziek gemeld.
1.2. Bij besluit van 3 oktober 2007 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat hij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).
1.3. Bij besluit op bezwaar van 14 maart 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen ingediende bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de medische beperkingen van appellant tot het verrichten van arbeid niet zijn onderschat. Daarbij heeft de rechtbank onder andere betrokken dat informatie is opgevraagd bij de appellant behandelend maag-, darm- en leverarts. Wat betreft de psychische klachten heeft de rechtbank de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts gevolgd dat de beperkte copingmechanismen van appellant en zijn vlucht in overmatig alcoholgebruik evenmin leiden tot meer beperkingen. Appellant heeft in beroep geen (nieuwe) medische gegevens ingebracht die zijn stelling dat hij meer beperkt is onderbouwt. De rechtbank acht de voor appellant geselecteerde functies passend.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat hij meer beperkingen heeft en de geduide functies niet kan verrichten. Ter zitting heeft hij een brief van 10 juli 2008 van psycholoog dr. T.M.T. van Elderen-van Kemenade overgelegd. Hij heeft voorts een beroep gedaan op de rechtspraak van de Raad en gesteld dat zijn alcoholgebruik moet worden beschouwd als ziekte of gebrek.
4.1. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De in hoger beroep overgelegde brief van Van Elderen leidt evenmin tot een andere conclusie reeds omdat deze geen informatie geeft omtrent de datum in geding, 20 september 2007. Bovendien zijn tijdens de hoorzitting kort na de datum in geding ten aanzien van lopen en zitten geen aannemelijke beperkingen gebleken, aldus de bezwaarverzekeringsarts. De Raad wijst er voorts op dat de behandelend maag-, darm- en leverarts in zijn brief van 20 augustus 2007 weliswaar een pijnlijk beschadigde anus meldt, maar tevens aangeeft dat bij lichamelijk onderzoek en bij laboratoriumonderzoek geen duidelijke afwijkingen worden gevonden. Daarnaast behoeft in de geduide functies niet lang te worden gezeten.
4.2. Het beroep op de uitspraken van de Raad van 31 augustus 2007 (LJN BB2727) en 8 januari 2008 (LJN BC1551) slaagt evenmin. In die uitspraken heeft de Raad overwogen dat een verslaving aan alcohol of verdovende middelen op zich niet als ziekte of gebrek is aan te merken. Indien echter uit de verslaving gebreken voortvloeien dan wel indien die verslaving noodzaakt tot een klinische opname of behandeling, brengt dit mee dat er wel sprake is van een ziekte of gebrek in de zin van artikel 18 van Pro de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. De Raad ziet geen reden ten aanzien van deze verslavingen het arbeidsongeschiktheidsbegrip in de artikelen 4 tot en met 6 van de Wet WIA anders in te vullen. In het geval van appellant is niet gebleken dat uit zijn alcoholgebruik beperkingen voortvloeien. Appellant werd op de datum in geding niet behandeld voor zijn overmatige alcoholgebruik en ook overigens is niet gebleken dat hij op die datum meer beperkt was voor het verrichten van arbeid dan waarvan het Uwv is uitgegaan.
4.3. Het hoger beroep slaagt dus niet.
5. De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen als voorzitter, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 april 2010.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) R.L. Rijnen.
TM