ECLI:NL:CRVB:2010:BM0774

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-6239 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad waarin het besluit van het UWV werd bevestigd dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering vanaf 2 maart 2007.

De rechtbank oordeelde dat het besluit van het UWV een voldoende medische grondslag heeft en dat appellant met zijn beperkingen in staat is de functies te vervullen waarop de resterende verdiencapaciteit is gebaseerd. Appellant stelde in hoger beroep dat zijn psychische en nekklachten meer beperkingen opleveren dan in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) zijn opgenomen.

De Raad stelde vast dat appellant dit niet met nieuwe medische gegevens heeft onderbouwd en onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de medische beoordeling volledig en juist is. De arbeidsdeskundige rapportages tonen aan dat appellant de belastingen van de functies kan dragen, waaronder zitten, staan, lopen en het verplaatsen van een rolcontainer.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de aangevallen uitspraak en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen.

Uitspraak

08/6239 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 7 oktober 2008, 08/310 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 2 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J.A.M. Gloudi, advocaat te Lelystad, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft verweer gevoerd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Appellant is verschenen en bijgestaan door mr. P. Delawi, kantoorgenoot van mr. Gloudi. Namens het Uwv verscheen mr. E.F. de Roy van Zuydewijn.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep dat heeft geleid tot de aangevallen uitspraak is gericht tegen het ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) op 14 februari 2008 door het Uwv bekend gemaakte besluit. Hierbij heeft het Uwv zijn besluit gehandhaafd van 16 november 2007 waarbij is bepaald dat voor appellant met ingang van 2 maart 2007 geen recht is ontstaan op een WIA-uitkering.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit van 14 februari 2008 een voldoende medische grondslag heeft en dat appellant met zijn beperkingen in staat kan worden geacht om de functies te vervullen waarop de schatting is gebaseerd. In het feit dat een van die functies eerst ter zitting aan de berekening van de resterende verdiencapaciteit van appellant ten grondslag is gelegd, heeft de rechtbank aanleiding gevonden het beroep gegrond te verklaren, het besluit van 14 februari 2008 te vernietigen en de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand te laten.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat hij in verband met zijn psychische klachten en nekklachten meer beperkingen heeft voor het verrichten van arbeid dan is neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) en dat hij niet in staat is om de functies te vervullen die hem als arbeidsmogelijkheden zijn voorgehouden.
3.2. Het Uwv heeft zich achter het oordeel van de rechtbank geschaard. Hij heeft onder verwijzing naar rapportages van zijn (bezwaar)verzekeringsartsen uiteengezet dat beperkingen in verband met psychische klachten op de datum in geding niet aanwezig waren en de psychische toestand van appellant in het najaar van 2007 is gewijzigd. Verder heeft hij er op gewezen dat appellant in het spreekuurcontact met de verzekeringsarts heeft meegedeeld dat de nekklachten over waren en dat de geringe afwijking aan de halswervelkolom niet tot het opnemen van een beperking in de FML noodzaakt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Appellant heeft zijn stelling dat zijn beperkingen op de datum in geding zijn onderschat in hoger beroep niet met nadere medische gegevens onderbouwd. De Raad ziet, net als de rechtbank, geen grond voor twijfel aan de volledigheid en juistheid van de medische beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen. De bezwaarverzekeringsarts heeft, zoals blijkt uit haar rapportages van 27 januari 2008, 28 maart 2008 en 19 mei 2008, alle medische informatie, die appellant in bezwaar en beroep heeft ingebracht, gewogen en gemotiveerd gesteld dat die geen reden is de FML aan te scherpen.
4.2. De rechtbank heeft op goede gronden vastgesteld dat de in de FML beschreven beperkingen van appellant niet meebrengen dat de belasting in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies niet van appellant kan worden gevraagd. Met de arbeidsdeskundige rapportages heeft het Uwv voldoende toegelicht dat het in die functies mogelijk is om zitten, staan en lopen af te wisselen. Ten aanzien van duwen en trekken is in de FML geen beperking opgenomen, zodat appellant in staat kan worden geacht om met een kracht van 15 kgf een rolcontainer te verplaatsen, zoals voorkomt in de functie van medewerker luistercontrole vallend onder Sbc-code 267060. Aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de geschiktheid in medisch opzicht van de geselecteerde functies twijfelt de Raad niet.
4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellant geen recht op een WIA-uitkering is ontstaan. Het hoger beroep van appellant treft geen doel en de Raad zal de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bevestigen.
5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van R.L. Rijnen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 april 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) R.L. Rijnen.
JL