ECLI:NL:CRVB:2010:BM0860

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-929 WSF
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet studiefinanciering 2000Artikel XXI, eerste lid, Wet van 15 oktober 2009
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek draagkrachtmeting met terugwerkende kracht wegens ontbreken hardheidsclausule

Appellante verzocht om een draagkrachtmeting over de jaren 1990 tot en met 2001, welke door de IB-Groep werd afgewezen. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de Wet studiefinanciering 2000 geen terugwerkende kracht toelaat en dat de hardheidsclausule niet van toepassing is omdat geen onbillijkheid van overwegende aard is vastgesteld.

Appellante stelde in hoger beroep dat haar psychische problematiek haar belemmerde om tijdig te reageren op een brief van de Minister van 31 maart 2004, waarin zij werd uitgenodigd om een aanvraag met terugwerkende kracht in te dienen. De Raad oordeelde dat appellante geen bewijs had geleverd dat zij kort na die datum niet in staat was te reageren, aangezien de overgelegde medische verklaringen geen specifieke ondersteuning boden voor deze stelling.

De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank omtrent de hardheidsclausule en zag geen reden voor een proceskostenveroordeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het verzoek tot draagkrachtmeting met terugwerkende kracht wordt afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitspraak

09/929 WSF
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 december 2008, 07/3429 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (hierna: IB-Groep).
Datum uitspraak: 9 april 2010
I. PROCESVERLOOP
In dit geding is een uitspraak aan de orde over een besluit dat is genomen door de IB-Groep. Op 1 januari 2010 is de Wet van 15 oktober 2009 tot intrekking van de Wet verzelfstandiging informatiseringsbank en wijziging van diverse wetten in verband met de oprichting van de Dienst Uitvoering Onderwijs in werking getreden. Als gevolg hiervan is de IB-Groep opgehouden te bestaan. Ingevolge artikel XXI, eerste lid, van de wet treedt in dit geding de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister) in de plaats van de IB-Groep. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
Namens appellante heeft mr. H. Stoppelenburg, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2010. Appellante was vertegenwoordigd door mr. Stoppelenburg en de Minister door drs. P.M.S. Slagter.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 16 november 2007 heeft de Minister – beslissend op bezwaar - gehandhaafd zijn besluit tot afwijzing van het verzoek van appellante om draagkrachtmeting over de jaren 1990 tot en met 2001.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 16 november 2007 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hiertoe – kort samengevat – overwogen dat uit de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) voortvloeit dat draagkrachtmeting niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden. Voor toepassing van de hardheidsclausule acht de rechtbank geen plaats omdat onverkorte toepassing van de wet in dit geval niet leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De rechtbank heeft hierbij in acht genomen dat de Minister - gelet op de bijzondere omstandigheden van dit geval - appellante bij brief van 31 maart 2004 in de gelegenheid heeft gesteld om per omgaande een aanvraag draagkrachtmeting met terugwerkende kracht te doen, maar dat appellante van deze mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt. Zij heeft zich eerst bij brief van 13 juni 2007 met een verzoek tot de Minister gewend.
3. In hoger beroep heeft appellante zich tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd dat voor toepassing van de hardheidsclausule geen plaats is.
Appellante heeft zich, evenals in beroep, op het standpunt gesteld dat haar psychische situatie in 2004 zodanig slecht was dat zij niet heeft kunnen reageren op het door de Minister bij brief van 31 maart 2004 gedane aanbod en dat het niet juist is dit haar tegen te werpen.
4.1. Het hoger beroep van appellante treft geen doel. Uit hetgeen appellante in beroep en in hoger beroep heeft aangevoerd is de Raad niet gebleken dat appellante na ontvangst van de brief van 31 maart 2004 niet in staat was om per omgaande op deze brief te reageren. Een verklaring van een medicus die specifiek ziet op de periode kort na 31 maart 2004 en steun biedt aan haar in overweging 3 bedoeld standpunt heeft appellante niet overgelegd. De brieven van de psycholoog/psychotherapeut A.G. Rooker van 4 september 2002 en 12 maart 2009 geven een algemene beschrijving van de psychische problemen van appellante over de periode van 1990 tot begin 2006, maar bevatten geen informatie die specifiek ziet op de situatie van appellante kort na 31 maart 2004. Vermeld in deze brieven is dat de ernst van de klachten van appellante in vorenbedoelde periode tijdens de behandeling wel zijn verminderd, maar zich toch ook weer steeds opnieuw hebben doen gelden. Uit de brieven volgt echter niet dat Rooker van opvatting is dat appellante noch in staat was zelf op de brief van 31 maart 2004 te reageren, noch in staat was zich met de brief van 31 maart 2004 tot een rechtshulpverlener te wenden.
4.2. De Raad kan zich voorts geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank ter zake van het verzoek van appellante om toepassing van de hardheidsclausule. De Raad heeft daaraan niets toe te voegen.
4.3. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en C.G. Kasdorp als leden, in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) A.E. van Rooij.
KR