AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens minder dan 15% arbeidsongeschiktheid
Appellante is sinds april 2003 wegens nek- en armklachten arbeidsongeschikt verklaard en heeft haar werkzaamheden als thuishulp en assistente dagverzorging onderbroken. Het UWV heeft vastgesteld dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt, omdat zij nog in staat is diverse gangbare functies te vervullen zonder verlies van verdiencapaciteit.
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen deze beslissing en aangevoerd dat haar lichamelijke en psychische klachten onvoldoende zijn meegewogen, en dat zij niet in staat is om 30 uur per week te werken. Zowel de bezwaarverzekeringsarts als de arbeidsdeskundige onderschreven het oordeel van de primaire fase. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep geoordeeld dat appellante onvoldoende objectieve medische onderbouwing heeft geleverd voor haar eigen opvatting over haar beperkingen. De medische gegevens en het arbeidskundig onderzoek ondersteunen het oordeel dat haar beperkingen niet zijn onderschat. De aanvullende rapportage en verklaring van de huisarts bieden geen nieuwe inzichten over de situatie op de relevante datum.
De Raad bevestigt daarmee de eerdere uitspraak en het bestreden besluit van het UWV, en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.
Uitspraak
08/4359 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 13 juni 2008, 07/874 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. B.J. Manspeaker, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft van verweer gediend en vragen van de Raad beantwoord.
Namens appellante zijn nadere stukken in het geding gebracht.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 maart 2010. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Manspeaker. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. R.A. Kneefel.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is in april 2003 wegens onder meer nek- en armklachten uitgevallen voor haar in een omvang van 30 uur per week verrichte werkzaamheden als thuishulp. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is haar met ingang van 5 april 2004 geen uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, daar zij weliswaar niet langer geschikt werd bevonden voor haar eigen maatgevende functie van thuishulp, maar nog wel in staat werd geacht diverse gangbare functies elders te vervullen. De daaraan te ontlenen verdiencapaciteit is zodanig dat ten opzichte van het maatgevende inkomen geen sprake is van enig verlies.
1.2. Per augustus 2004 heeft appellante bij de eigen werkgever haar werkzaamheden hervat als assistente dagverzorging in een omvang van 20 uur per week. Op 13 januari 2005 is zij voor deze werkzaamheden uitgevallen wegens onder meer rugklachten en klachten van haar duimen.
1.3. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek werd vastgesteld dat appellante ten gevolge van dezelfde oorzaak is uitgevallen als destijds in april 2003. Tevens concludeerde de verzekeringsarts dat appellantes belastbaarheid bij het einde van de voor haar geldende wachttijd van 4 weken nog dezelfde was als de belastbaarheid die is vastgelegd in de functionele mogelijkheden lijst van 29 april 2004, die ten grondslag heeft gelegen aan de beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 5 april 2004.
1.4. Vervolgens is bij arbeidskundig onderzoek vastgesteld dat, gelet op het loon dat appellante nog kan verdienen met diverse voor haar passend te achten functies, in vergelijking met haar maatgevende inkomen geen sprake was van verlies van verdiencapaciteit.
2.1. Bij besluit van 14 december 2006 heeft het Uwv geweigerd appellante met ingang van 10 februari 2005 in aanmerking te brengen voor een WAO-uitkering, daar de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was.
2.2. In bezwaar tegen dit besluit heeft appellante aangevoerd dat zij zich ernstiger beperkt acht dan aangenomen, dat zij niet in staat is te werken in een omvang van 30 uur per week en dat de bij de schatting betrokken functies niet haalbaar zijn voor haar.
2.3. De bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige hebben zich kunnen verenigen met het oordeel van hun collega’s in de primaire fase.
2.4. Bij besluit van 9 februari 2005 (lees: 2 augustus 2007), hierna: het bestreden besluit, is het bezwaar tegen het besluit van 14 december 2006 ongegrond verklaard.
3.1. In beroep is namens appellante - andermaal - naar voren gebracht dat onvoldoende rekening is gehouden met zowel haar lichamelijke als haar psychische klachten, dat door de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte geen aandacht is besteed aan haar fibromyalgie en dat in elk geval een urenbeperking in acht had dienen te worden genomen.
3.2. De rechtbank heeft het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft vooraf overwogen dat de beroepsgronden van appellante zich beperken tot de medische aspecten van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de juistheid van de door het Uwv overgenomen conclusies van zijn verzekeringsartsen in twijfel te trekken. In het bijzonder ook heeft de rechtbank zich kunnen stellen achter het oordeel van die artsen dat er geen medische indicatie bestaat voor een urenbeperking.
4.1. De Raad overweegt dat de in hoger beroep namens appellante naar voren gebrachte gronden in overwegende mate dezelfde zijn als de in bezwaar en beroep aangevoerde gronden. Zij blijft bij haar opvatting dat zowel haar lichamelijke als haar psychische klachten onderbelicht zijn gebleven. Illustratief voor het feit dat zij in elk geval niet in een volle arbeidsomvang werkzaam kan zijn, acht appellante dat zij in de loop der tijd haar arbeidsomvang heeft terug gebracht, aanvankelijk van 40 uur naar 30 uur per week en naderhand van 30 uur naar 20 uur per week.
4.2. Mede nog in aanmerking genomen wat daarover desgevraagd ter zitting door de gemachtigde van appellante is verklaard, stelt de Raad vast dat de beroepsgronden van appellante zich uitsluitend richten tegen het oordeel waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen omtrent haar belastbaarheid. Indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat die wel juist is vastgesteld, bestaan er van de zijde van appellante geen bezwaren tegen de passendheid in medisch of arbeidskundig opzicht van de bij de onderhavige schatting gebruikte functies.
4.3. Overigens overweegt de Raad in dit verband dat de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft meegedeeld dat ten onrechte, althans onnodig, een schatting aan de hand van functies heeft plaatsgevonden, nu het hier immers gaat om een arbeidsongeschiktheidsbeoordeling met toepassing van artikel 43a van de WAO en de verzekeringsartsen hebben geconcludeerd dat de medische beperkingen van appellante op de datum in geding niet zijn toegenomen ten opzichte van de beperkingen die tot uitgangspunt hebben gediend bij de beoordeling van de mate van haar arbeidsongeschiktheid per 5 april 2004.
4.4. De Raad komt met betrekking tot de medische grondslag grondslag van het bestreden besluit niet tot een ander oordeel dan de rechtbank in de aangevallen uitspraak. In het licht van het geheel van de omtrent appellante beschikbare gegevens van medische aard, staat ook voor de Raad genoegzaam vast dat haar beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv niet zijn ondergewaardeerd.
4.5. De eigen opvatting van appellante met betrekking tot haar medische situatie op de datum in geding en de daaruit voor haar voortvloeiende beperkingen bij het verrichten van loonvormende arbeid, ontbeert een genoegzame objectief-medische onderbouwing.
4.6. Met betrekking tot de namens appellante in hoger beroep ingebrachte zogeheten onderzoeksrapportage expertisecentrum van 14 september 2009, overweegt de Raad dat niet duidelijk is of die rapportage - die kennelijk ertoe strekt met het oog op een eventuele re-integratie van appellante haar competenties en interesses in beeld te brengen - is opgesteld door een arts en dat die rapportage overigens geen gegevens bevat die betrekking hebben op de situatie van appellante op de in dit geding ter beoordeling voorliggende datum 10 februari 2005. Ook de verklaring van de huisarts van 16 februari 2010 leidt de Raad niet tot een ander oordeel over de belastbaarheid van appellante op de datum bij het bestreden besluit aan de orde.
4.7. Aldus komt de Raad tot de conclusie, in navolging van de rechtbank, dat niet is kunnen blijken van gronden om het bestreden besluit rechtens niet juist te achten. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 april 2010.