ECLI:NL:CRVB:2010:BM1719

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6356 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:2 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 31 WW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank en terugwijzing zaak inzake WW-uitkering

Appellant had een tijdelijk dienstverband dat tussentijds werd verlengd tot 30 juni 2008. Op 27 juni 2008 vroeg appellant een WW-uitkering aan bij het UWV. Op 10 juli 2008 stuurde het UWV een brief waarin werd meegedeeld dat nog geen beslissing werd genomen, in afwachting van een procedure tegen de werkgever. Appellant maakte bezwaar tegen deze brief, maar het UWV verklaarde het bezwaar ongegrond met als reden dat appellant een benadelingshandeling had gepleegd door akkoord te gaan met het contract tot 30 juni 2008, waardoor de WW-uitkering pas na 3 september 2008 kon worden uitgekeerd.

Appellant stelde beroep in bij de rechtbank Maastricht, die het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde, maar appellant niet-ontvankelijk verklaarde in het bezwaar tegen de brief van 10 juli 2008. De rechtbank oordeelde dat deze brief slechts informatief was en geen rechtsgevolgen had.

In hoger beroep stelt appellant dat de brief wel een besluit is, omdat het UWV het recht op WW-uitkering ontzegt en dat het ook een weigering tot besluitvorming betreft. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat de brief gericht is op rechtsgevolg en dus een besluit in de zin van de Awb is waartegen bezwaar kan worden gemaakt. De Raad vernietigt de uitspraak van de rechtbank en wijst de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens veroordeelt de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank voor verdere behandeling.

Uitspraak

09/6356 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 26 oktober 2009, 09/73,
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 1 april 2010.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.J. van ’t Hoff hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 februari 2010. Namens appellant is mr. Van ’t Hoff verschenen. Het Uwv is niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant had een tijdelijk dienstverband voor de duur van één jaar met [naam werkgever] (werkgever). Tussentijds is dat contract herzien en heeft appellant een nieuwe arbeidsovereenkomst met dezelfde werkgever gesloten met als einddatum 30 juni 2008. Appellant heeft op 27 juni 2008 bij het Uwv een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) gedaan. Op 10 juli 2008 heeft het Uwv appellant schriftelijk laten weten nog geen beslissing te nemen op de aanvraag, in afwachting van het verloop van een door appellant ingestelde procedure tegen diens voormalige werkgever. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt. Bij besluit van 9 december 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv die bezwaren ongegrond verklaard. Het Uwv heeft daartoe overwogen dat appellant een benadelingshandeling heeft gepleegd door tussentijds accoord te gaan met een contract tot en met 30 juni 2008, terwijl appellant in dienst had kunnen blijven tot 3 september 2008. Volgens het Uwv kan de WW-uitkering niet tot uitbetaling komen tot 3 september 2008.
2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank onder meer dat beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en onder toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) appellant niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen – in de woorden van de rechtbank – ‘het primaire besluit […] van 10 juli 2008’. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de brief van 10 juli 2008 enkel kan worden gezien als een mededeling van informatieve aard die geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven roept.
3. Appellant heeft in hoger beroep onder meer gesteld dat als de brief van 10 juli 2008 overeenkomstig de opvatting van de rechtbank al niet is gericht op enig rechtsgevolg, deze in ieder geval een weigering behelst om een besluit te nemen. Op grond van artikel 6:2 van Pro de Awb wordt een schriftelijke weigering een besluit te nemen voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld. Appellant wijst er voorts op dat uit de bewoordingen van de brief van 10 juli 2008 volgt dat het mogelijk is dat nooit zal worden beslist op de aanvraag en de mededeling in die brief in ieder geval tot gevolg heeft dat het Uwv niet tijdig beslist op de aanvraag. Op grond van artikel 6:2 van Pro de Awb wordt ook het niet tijdig nemen van een besluit voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Met de brief van 10 juli 2008 heeft het Uwv appellant het recht op een WW-uitkering ontzegd. Het Uwv heeft daarvoor verwezen naar het verloop van een procedure tegen de werkgever van appellant. Afgaande op de zeer summiere bewoordingen van die brief en op het daaropvolgende bestreden besluit heeft het Uwv daarbij een op nihilstelling van een voorschot in de zin van artikel 31 van Pro de WW voor ogen gestaan. De brief van 10 juli 2008 is daarmee gericht op rechtsgevolg en is aldus een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
4.2. De aangevallen uitspraak komt voor vernietiging in aanmerking. Nu tot op heden geen inhoudelijke behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden, het Uwv ter zitting van de Raad niet was vertegenwoordigd en appellant daarom heeft verzocht, zal de zaak naar de rechtbank worden teruggewezen.
4.3. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-- aan kosten van rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Maastricht.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 april 2010.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) P. Boer.
BvW