ECLI:NL:CRVB:2010:BM1740
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van WIA-uitkering op basis van loon als conciërge na intrekking WAO-uitkering
Appellant ontving sinds 1971 een WAO-uitkering die per 1 juni 1996 onherroepelijk werd ingetrokken wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid. Na een periode van werkhervatting als conciërge vanaf december 1998, viel appellant in januari 2004 wegens ziekte uit. Het UWV kende hem per 2 januari 2006 een WIA-uitkering toe, gebaseerd op het loon dat appellant verdiende als conciërge.
Appellant voerde aan dat zijn WAO-uitkering ten onrechte was ingetrokken en dat hij recht had op een hogere uitkering die doorliep. De rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad stelde vast dat de intrekking van de WAO-uitkering onherroepelijk was en dat een nieuw recht op WIA-uitkering was ontstaan, waarbij het loon uit het werk als conciërge bepalend is.
De Raad oordeelde dat appellant geen aanspraak kon maken op heropening van de WAO-uitkering en dat het UWV de WIA-uitkering correct had berekend. Het feit dat appellant de uitkering te laag vindt, leidt niet tot een ander oordeel. De Raad wees ook een verzoek om proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is vastgesteld op basis van het loon als conciërge na onherroepelijke intrekking van de WAO-uitkering.