ECLI:NL:CRVB:2010:BM1964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- C.P.M. van de Kerkhof
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellante verzocht het UWV om herziening van het besluit van 6 juni 2003, waarbij haar WAO-uitkering werd ingetrokken. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar psychische en pijnklachten reeds in 2003 aanwezig waren en dat de intrekking daarom onterecht was. Zij overlegde medische stukken ter onderbouwing, waaronder een uitnodiging voor een intakegesprek en een brief van een behandelend arts.
De Raad oordeelde dat uit de medische informatie niet kon worden afgeleid dat de klachten op of omstreeks 28 juli 2003 bestonden. Ook het eerdere ongeval in 2001 bood geen aanwijzing voor de aanwezigheid van de klachten destijds. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV bevoegd was het verzoek om herziening af te wijzen en dat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het herzieningsverzoek bevestigd.