ECLI:NL:CRVB:2010:BM1964

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1825 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing herzieningsverzoek intrekking WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante verzocht het UWV om herziening van het besluit van 6 juni 2003, waarbij haar WAO-uitkering werd ingetrokken. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit onjuist maakten. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt dat haar psychische en pijnklachten reeds in 2003 aanwezig waren en dat de intrekking daarom onterecht was. Zij overlegde medische stukken ter onderbouwing, waaronder een uitnodiging voor een intakegesprek en een brief van een behandelend arts.

De Raad oordeelde dat uit de medische informatie niet kon worden afgeleid dat de klachten op of omstreeks 28 juli 2003 bestonden. Ook het eerdere ongeval in 2001 bood geen aanwijzing voor de aanwezigheid van de klachten destijds. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het UWV bevoegd was het verzoek om herziening af te wijzen en dat er geen sprake was van nieuwe feiten of omstandigheden.

Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het herzieningsverzoek bevestigd.

Uitspraak

09/1825 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 16 maart 2009, 08/1154 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft haar vader [naam vader], wonende te [woonplaats], hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 4 januari 2010 heeft het Uwv naar aanleiding van een vraag van de Raad een rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 4 januari 2010 ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 maart 2010, waar appellante werd vertegenwoordigd door haar vader. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de feiten en omstandigheden zoals vermeld in de aangevallen uitspraak. Hier volstaat hij met het volgende.
Bij besluit van 6 juni 2003 heeft het Uwv de uitkering van appellante ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ingetrokken met ingang van 28 juli 2003. Tegen dat besluit heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.
2. Op 26 juni 2007 heeft appellante het Uwv verzocht het besluit van 6 juni 2003 te herzien. Bij besluit van 3 december 2007 heeft het Uwv het verzoek van appellante afgewezen onder de overweging dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat de genomen beslissing van 6 juni 2003 onjuist zou zijn.
3. Bij besluit van 28 februari 2008 (het bestreden besluit) is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 3 december 2007 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat in 2003 ten onrechte tot intrekking van haar arbeidsongeschiktheidsuitkering is overgegaan en dat de psychische klachten en pijnklachten op grond waarvan haar per 29 juli 2006 (opnieuw) een volledige WAO-uitkering is toegekend ook ten tijde van het onderzoek van de verzekeringsarts in 2003 al aanwezig waren en sindsdien alleen maar erger zijn geworden. Ter ondersteuning van haar standpunt heeft appellante een uitnodiging van 6 juni 2008 overgelegd voor een intakegesprek bij “De Grote Rivieren” en een brief van 13 mei 2009 van de arts J. Lelieberg, verbonden aan “De Grote Rivieren” waarin onder meer wordt geadviseerd tot voortgezette behandeling in Psychotherapeutisch centrum De Viersprong in verband met de diagnoses ongedifferentieerde somatoforme stoornis en posttraumatische stress stoornis. Voorts heeft appellante stukken met betrekking tot een sociaal-medische indicatie voor kinderopvang van haar dochter ingezonden.
6. De Raad overweegt als volgt.
6.1. Het verzoek van appellante strekt ertoe dat het Uwv terugkomt van het besluit van 6 juni 2003, dat in rechte onaantastbaar is geworden. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv de medische grondslag van het besluit van 6 juni 2003 opnieuw beoordeeld, hetgeen echter niet tot een andere uitkomst heeft geleid.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen als volgt (waarbij appellante is aangeduid als eiseres en het Uwv als verweerder):
“Een bestuursorgaan is naar vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (zie onder andere de uitspraak van
24 juli 2008, LJN: BD9150) in het algemeen bevoegd een verzoek van een belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing handhaaft kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijke voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook de oorspronkelijke afwijzing als uitgangspunt te nemen.”
en:
“De rechtbank overweegt dat uit de stukken noch uit het verhandelde ter zitting blijkt dat op of omstreeks 28 juli 2003 bij eiseres sprake was van de gestelde psychische klachten. Zo kan uit de informatie van de huisarts van 12 maart en 12 april 2007 en van de behandelend psychiater van 6 november 2007 en 23 augustus 2008 niet worden afgeleid dat de gestelde psychische beperkingen (reeds) op of omstreeks 28 juli 2003 bestonden en meegewogen hadden moeten worden. Ook uit de omstandigheid dat eiseres in 2001 een ongeval heeft gehad kan, gelet op voornoemde medische informatie, niet worden afgeleid dat op of omstreeks 28 juli 2003 sprake was van de door eiseres gestelde psychische problematiek. Van de vereiste nieuwe feiten of veranderde omstandigheden is de rechtbank dan ook niet gebleken (….).
Gelet op het voorgaande was verweerder bevoegd om met toepassing van art.4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek om herziening af te wijzen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een algemeen rechtsbeginsel.”
De Raad onderschrijft deze overwegingen en het oordeel van de rechtbank.
6.2. Uit hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht kan naar het oordeel van de Raad evenmin worden geconcludeerd dat er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan het Uwv in redelijkheid terug had moeten komen van zijn eerdere besluitvorming. Zoals de bezwaarverzekeringsarts in haar rapport van 4 januari 2010 heeft opgemerkt bevatten de door appellante ingebrachte stukken geen gegevens omtrent haar medische situatie in 2003.
6.3. Uit 6.1 en 6.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende;
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 april 2010.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) C.P.J. Goorden.
IvR