ECLI:NL:CRVB:2010:BM1978
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid intrekking bijstand wegens niet-woonachtig zijn op opgegeven adres
Appellant ontving bijstand sinds 2000 en gaf vanaf maart 2002 een adres in Amsterdam op als woonplaats. Het College vermoedde echter dat appellant niet op dat adres woonde, maar elders, en startte een onderzoek. Op basis van verklaringen, buurtonderzoeken en een proces-verbaal werd geconcludeerd dat appellant van maart 2002 tot augustus 2004 niet op het opgegeven adres woonde en daarna buiten Amsterdam verbleef.
Het College trok daarom de bijstand over de periode van maart 2002 tot april 2006 in en vorderde de kosten terug. De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit deels, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De Raad oordeelde dat de rechtbank het geschil te beperkt had beoordeeld en vernietigde dat deel van de uitspraak.
De Raad bevestigde dat appellant niet woonde op het opgegeven adres en dat hij zijn woonplaats buiten Amsterdam had, waardoor hij geen recht had op bijstand. De verklaring van appellant tegenover de sociale recherche werd als betrouwbaar beschouwd. Het College was bevoegd tot intrekking en terugvordering van bijstand. De Raad veroordeelde het College tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het College mocht de bijstand intrekken en terugvorderen omdat appellant niet op het opgegeven adres woonde en zijn woonplaats buiten Amsterdam had.