ECLI:NL:CRVB:2010:BM2187
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, voormalig productiemedewerkster, ontving een WAO-uitkering wegens nek-, schouder- en rugklachten. Na een medische herkeuring in 2006 stelde het UWV dat haar arbeidsongeschiktheid was afgenomen tot minder dan 15%, waarop de uitkering werd beëindigd. Appellante betwistte dit en voerde aan dat haar belastbaarheid in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) was overschat, mede op basis van een fysiotherapeutisch verslag.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad onderschrijft dit oordeel. De bezwaarverzekeringsarts baseerde zich op een actueel lichamelijk onderzoek en volgde het oordeel van de keurende arts, die een voorzichtige benadering hanteerde. Het Protocol Aspecifieke lage rugpijn, waar appellante zich op beriep, is volgens de Raad niet van toepassing omdat haar klachten een aanwijsbare oorzaak hebben.
De Raad oordeelt dat het ontbreken van oudere fysiotherapeutische gegevens geen doorslaggevende betekenis heeft. Het hoger beroep slaagt niet en de intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.