ECLI:NL:CRVB:2010:BM2227

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5146 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 lid 3 WuboArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om herziening toekenning uitkering burger-oorlogsslachtoffer

Appellant, geboren in 1938 in Indonesië, verzocht om herziening van een eerdere afwijzing van zijn aanvraag voor een uitkering als burger-oorlogsslachtoffer op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hij stelde dat hij en zijn moeder tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd waren in kamp Gloegoer en dat hij mishandeld was door Japanse soldaten.

De Raad stelde vast dat het verzoek om herziening grotendeels een herhaling was van eerdere aangevoerde feiten en omstandigheden. Hoewel appellant nieuwe getuigenverklaringen overlegde, waren deze onvoldoende overtuigend omdat twee getuigen niet in het kamp verbleven en de derde getuige slechts indirecte informatie had. Ook andere calamiteiten werden niet overtuigend onderbouwd.

De Raad oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die een herziening van het eerdere besluit rechtvaardigden. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van het herzieningsverzoek wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

09/5146 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 15 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen het door verweerster onder dagtekening 8 september 2009, kenmerk BZ9044, JZ/T60/2009, ten aanzien van appellant genomen besluit (hierna: bestreden besluit) ter uitvoering van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (hierna: Wubo).
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2010. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. A. Bierenbroodspot, advocaat te Amsterdam. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.R.A. Dircke, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is in 1938 in Kota Radja te Indonesië geboren. Zijn vader en oudste broer dienden in het Koninklijke Nederlands Indische Leger (KNIL). Na de Japanse inval zijn de overige leden van het gezin [naam gezin appellant] naar Medan gevlucht waar zij op verschillende locaties gewoond hebben. Appellant stelt dat hij gedurende zijn verblijf in Medan eenmaal door Japanners is geslagen en geschopt en een keer met een bajonet is gestoken. De vader van appellant is in maart 1942 door de Japanners onthoofd. Appellant stelt dat zijn moeder en hij, na een kort verblijf in een kamp in Dorowati, van eind 1944 tot augustus 1945 in kamp Gloegoer geïnterneerd zijn geweest en daarna naar kamp Poelauberayan zijn gebracht. Appellant is in 1958 naar Nederland gekomen.
1.2. Bij besluit van 31 januari 2001, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 25 oktober 2001, heeft verweerster de aanvraag van appellant van november 1999, om op grond van de Wubo als burger-oorlogsslachtoffer te worden aangemerkt en hem uit dien hoofde onder meer een periodieke uitkering toe te kennen, afgewezen.
1.3. Bij brief van 22 augustus 2008 is namens appellant om herziening van de in 1.2 vermelde afwijzing gevraagd. Dit verzoek is door verweerster bij besluit van 18 maart 2009 afgewezen op gronden ontleend aan artikel 61, derde lid, van de Wubo. Verweerster heeft het bezwaar van appellant tegen dit besluit bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. In dit geding dient de Raad de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op wat partijen in beroep hebben aangevoerd, in rechte stand kan houden.
3. De Raad overweegt het volgende.
3.1. Het onder 1.3 genoemde verzoek van 22 augustus 2008 betreft een verzoek om herziening van het door verweerster genomen besluit van 25 oktober 2001. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerster bevoegd op een dergelijk verzoek een eerder door haar gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Deze bevoegdheid is van discretionaire aard. Dat brengt mee dat de Raad het besluit slechts terughoudend kan toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of door appellant feiten en omstandigheden in het geding zijn gebracht die aan verweerster bij het nemen van haar eerdere besluit niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw daglicht plaatsen dat verweerster daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
3.2. De Raad moet vaststellen dat appellant bij het onderhavige herzieningsverzoek, en in bezwaar tegen het besluit op dat verzoek, in wezen heeft herhaald hetgeen hij ter onder-steuning van zijn eerdere aanvraag had aangevoerd. Appellant heeft zijn herzieningsverzoek weliswaar vergezeld doen gaan van een drietal nieuwe getuigenverklaringen die bevestigen dat appellant en zijn moeder tijdens de Japanse bezetting in kamp Gloegoer geïnterneerd waren, maar van twee getuigen staat vast dat zij tijdens de Japanse bezetting niet in kamp Gloegoer hebben verbleven en de derde getuige heeft alleen van zijn moeder - van wie ook is vastgesteld dat zij niet in Gloegoer geïnterneerd is geweest - vernomen dat zij tegelijk met appellant in Gloegoer verbleven heeft. De andere door appellant gestelde calamiteiten - de evacuatie naar Medan onder levensbedreigende omstandig-heden en de mishandelingen door Japanse soldaten - zijn evenmin op overtuigende wijze aannemelijk gemaakt met nieuwe gegevens.
4. Gezien het vorenstaande bestaat voor vernietiging van het besluit geen grond, zodat het daartegen ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.L.C. Hermans als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD