ECLI:NL:CRVB:2010:BM2245

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 april 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1734 AOR
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bezwaar Algemene Oorlogsongevallenregeling

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR) waarin zijn aanvraag voor een periodieke uitkering werd afgewezen. De afwijzing was gebaseerd op een medisch advies dat appellant wel oorlogsgerelateerde klachten heeft, maar niet arbeidsongeschikt is in de zin van de AOR. Wel werd hem vrije geneeskundige behandeling toegekend.

Appellant diende zijn bezwaar te laat in, namelijk na de wettelijke termijn van zes weken, en verweerster verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens deze termijnoverschrijding. Appellant voerde aan dat medische ingrepen en geheugenproblemen hem verhinderden tijdig bezwaar te maken.

De Raad oordeelde dat appellant al langer bekend was met zijn hartklachten en dat er geen bewijs was dat hij gedurende de termijn volledig verhinderd was om bezwaar te maken. Daarom werd de termijnoverschrijding niet verschoonbaar geacht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen vergoeding van proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

Uitspraak

09/1734 AOR
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 15 april 2010
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft beroep ingesteld tegen een door verweerster onder dagtekening 19 maart 2009, kenmerk 2266/CAOR, ten aanzien van hem genomen besluit. Hierbij is het bezwaar van appellant tegen het besluit van verweerster van 5 december 2008, kenmerk 9403/CAOR, genomen ter uitvoering van de Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (AOR), niet ontvankelijk verklaard.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 maart 2010. Appellant is niet verschenen. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.H.G. Belleflamme en mr. R.L.M.J. Gielen, beiden werkzaam bij verweerster.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 5 december 2008 heeft verweerster afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om aan hem een periodieke uitkering op grond van de AOR te verstrekken. Op basis van een advies van de medisch adviseur heeft verweerster geoordeeld dat appellant oorlogsgerelateerde klachten heeft, maar niet in die mate dat er gesproken kan worden van arbeidsongeschiktheid in de zin van de AOR. Wel is bij dit besluit aan appellant vrije geneeskundige behandeling van het opgelopen oorlogsletsel toegekend.
2. Appellant heeft bij brief van 9 maart 2009, bij verweerster ontvangen op 11 maart 2009, bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de in artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalde termijn van zes weken. Deze termijnoverschrijding heeft verweerster niet verschoonbaar geacht.
4. Appellant heeft in beroep evenals in bezwaar aangevoerd dat hij op 15 januari 2009 een hartcatheterisatie heeft ondergaan en vervolgens op 27 februari 2009 is geopereerd. Hij zag geen mogelijkheid om binnen zes weken een bezwaarschrift in te dienen, zijn korte termijn geheugen was van slag.
5. Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd.
6. De Raad kan verweerster volgen in het standpunt dat in het onderhavige geval geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant was al langer bekend met hartklachten en op grond van de voorhanden zijnde gegevens is niet gebleken dat appellant gedurende de zes weken na het besluit van 5 december 2009 voortdurend buiten staat is geweest een (eventueel voorlopig) bezwaarschrift in te (laten) dienen.
7. Gezien het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard en acht de Raad geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en H.L.C. Hermans als leden, in tegenwoordigheid van I. Mos als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 april 2010.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) I. Mos.
HD